Bezuinigingen op onderzoek zijn juist verkeerd tijdens een crisis

Het kabinet heeft de mond vol van ‘goed innovatiebeleid’ en ‘kenniseconomie’, maar met bezuinigen op onderzoek krijg je het tegendeel, stellen Beatrice de Graaf en De Jonge Akademie.

Illustratie Pavel Constantin

Het Rathenau Instituut onthulde donderdag wat wetenschappers al vreesden en waarvoor wij als jonge wetenschappers enkele maanden geleden waarschuwden: er gaat veel minder geld naar wetenschappelijk onderzoek dan het kabinet had toegezegd in het regeerakkoord. In 2016 wordt per jaar 700 miljoen euro minder uitgegeven dan in 2010. Dit is een bezuiniging van ruim 13 procent.

Deze bezuinigingen staan niet op zichzelf. Ze komen boven op de enorme gevolgen van het topsectorenbeleid van dit kabinet. Ongeveer de helft van het budget van de landelijke onderzoeksfinanciers – de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (KNAW) – moet worden omgebogen naar negen economische topsectoren, zoals water, tuinbouw en energie. Kaalslag op veel andere wetenschapsgebieden dreigt.

Toen wij in deze krant voor de gevaren van dit ‘van kennis naar kassa’-beleid waarschuwden, verwees minister Verhagen (Economische Zaken en Innovatie, CDA) naar de veredeling van Wageningse tomaten. Deze prachtige koppeling van fundamenteel en toegepast onderzoek toont toch hoe uitstekend zijn beleid werkt? Onze protesten zouden voortkomen uit „angst voor verandering”. Er wordt niet bezuinigd op fundamenteel onderzoek, stelde Verhagen, en de aardgasbaten hoeven niet meer in de wetenschap gestopt te worden. Het bedrijfsleven legt zelf wel bij.

De werkelijkheid is anders. Niet alleen toont het Rathenau Instituut dat er juist op toegepast onderzoek wordt bezuinigd. Ook worden de gevolgen van het kabinetsbeleid buiten de topsectoren duidelijk. NWO becijferde dat er weinig geld overblijft voor de zogenoemde ‘vrije competitie’. Juist dit geld vormt de ruggengraat van het fundamentele onderzoek in Nederland. Dit geld werd vroeger direct aan de universiteiten gegeven, maar gaat nu naar de mensen met de meest belovende ideeën.

Het budget in deze vrije competitie daalt flink. Dit leidt onherroepelijk tot verschraling. Alleen binnen de topsectoren is nog fundamenteel onderzoek van substantiële omvang mogelijk. Daarbuiten blijft alleen de ‘Vernieuwingsimpuls’ van NWO echt overeind. Hiermee kunnen jonge, talentvolle onderzoekers hun eigen onderzoekslijn ontwikkelen. Als deze onderzoekers zich hebben gevestigd, is er voor hen in de vrije competitie evenwel nauwelijks geld om hun werk voort te zetten.

Dit is treurig voor veel vakgebieden. Onderzoek naar klimaatverandering valt niet onder de topsectoren. Onderzoek naar sociaal-economische verhoudingen, armoede of veiligheid evenmin, of het functioneren van recht en rechtspraak, om nog maar te zwijgen over studies naar geweld, angst of seksueel misbruik, of naar gedragstherapie voor mensen die lijden aan depressie. Dit veroorzaakt toch 30 procent van de arbeidsongeschikten en kost de samenleving jaarlijks één miljard euro. En wat te denken van de geesteswetenschappen, zoals de filosofie, de geschiedenis en de letterkunde? Hun onderzoek naar de wortels van onze cultuur en de manier waarop het menselijk bestaan vorm krijgt, zal letterlijk onbetaalbaar worden.

Is het dan niet goed om te focussen op toegepast onderzoek in tijden van recessie? Daar moet het innovatiebudget voor worden gebruikt en niet het wetenschapsbudget – niet alleen omdat innovaties vaak op onvoorspelbare manieren voortkomen uit fundamenteel onderzoek, maar vooral omdat Nederland een hoogwaardige kenniseconomie wil zijn. Dat is ook verstandig. De lagelonenlanden zijn tegenwoordig de productie-economieën. Verder bezuinigen op de wetenschap zal onze positie als kenniseconomie doen wankelen. Welke onderzoeker vestigt zich straks nog in een land waar de wetenschappers moedig hun best doen, maar waar de bedrijven de vinger op de knip houden en de overheid de geldkraan langzaam dichtdraait? Wie ziet hoe explosief alleen al de Chinese wetenschap groeit, zal direct beamen dat er juist fikse investeringen in de wetenschap nodig zijn.

Een minstens zo belangrijke reden om niet op wetenschappelijk onderzoek te bezuinigen, is dat de kwaliteit van onze samenleving rechtstreeks wordt bedreigd. Fundamenteel onderzoek legt de basis voor de toekomst – niet alleen voor industriële toepassingen, maar ook voor verbeteringen in de zorg en het onderwijs, voor het opleiden van een generatie vernieuwers en vrije denkers, voor het voeden van een kritische, onderzoekende en betrokken houding. Zeker tijdens een crisis mag de toekomst niet worden overgelaten aan de karige investeringen van bedrijven in onderzoek en innovatie. Het gaat niet alleen om een belang van de wetenschap, maar van de hele maatschappij.

Terecht zoekt dit kabinet naar creatieve koppelingen van wetenschap en bedrijfsleven. Onderzoek en innovatie hebben elkaar nodig, maar deze bezuinigingen remmen de creativiteit van wetenschappers en ondernemers eerder dan dat ze stimuleren.

Zijn wij „bang voor verandering”? Nee, wij vrezen om goede redenen voor de toekomst van de wetenschap, van ons onderwijs en van het innovatieklimaat van Nederland.

Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis van de veiligheid aan de Universiteit Leiden. Zij schreef dit stuk samen met Peter-Paul Verbeek, hoogleraar filosofie van mens en techniek aan de Universiteit Twente, en Appie Sluijs, verbonden aan de ‘Biomarine Sciences group’ van de Universiteit Utrecht, namens De Jonge Akademie.