Ayaan, Aafia - en Allah

Waarom is een dubbelbiografie over Ayaan Hirsi Ali en en haar tegenpool Aafia Siddiqui belangrijk?

Nieuws over Ayaan Hirsi Ali dat ons land tegenwoordig bereikt, valt voornamelijk onder wat we shownieuws noemen: haar relatie met de Engelse powerhistoricus Niall Ferguson en de perikelen rond zijn scheiding, hun huwelijk, en onlangs de geboorte van haar eerste kind, een zoon. Haar meest recente opmerkingen over het onderwerp dat haar controversieel en wereldberoemd maakte, de islam, stonden in een vernietigend portret van Geert Wilders in Newsweek twee weken geleden, en waren opmerkelijk mild. Wilders moest naar het politieke midden opschuiven, stelde ze. ‘Hij moet onderscheid maken tussen gewelddadige moslims en niet-gewelddadige moslims. Weet u, je hebt tegenwoordig moslims in alle soorten en maten en sommige van hen zou hij als bondgenoot kunnen gebruiken.’

Moslims in alle soorten en maten zijn er altijd geweest; de voornaamste kritiek op Hirsi Ali tijdens haar jaren van ruchtbaarheid luidde nu juist dat ze deed alsof dat onderscheid er niet was: er was geen islam en een gewelddadig jihadisme, er was alleen islam.

De dubbelbiografie die de Amerikaanse onderzoeksjournaliste Deborah Scroggins schreef over Hirsi Ali (1969) en haar radicale tegenbeeld, de Pakistaanse vrouwelijke jihadi Aafia Siddiqui (1972), laat er geen misverstand over bestaan – zowel de aantrekkingskracht van Hirsi Ali als de afkeer die zij opriep, werd in de eerste plaats veroorzaakt door hetzelfde simplisme waar Wilders zich van bedient: de islam was tot in de kern slecht, het Westen tot in de kern goed. De moslimvrouwen in het blijf-van-mijn-lijfhuis die haar probeerden te vertellen dat hun geloof hen tot steun was, werden met een hautain gebaar afgedaan – een goede moslim was een ex-moslim.

Dat Hirsi Ali nu hetzelfde onderscheid maakt dat haar critici in de jaren achter ons op zoveel hoon kwam te staan zal voortschrijdend inzicht zijn, maar het komt ook goed uit. De retoriek over een manicheïstische clash of cultures, over de westerse Verlichting versus de dreigende islamisering van onze vrijheid, is de afgelopen tijd danig verflauwd.

In Wanted Women (in het Nederlands vertaald als Twee vrouwen) wil Scroggins niet alleen het verhaal vertellen van twee vrouwen die in de jaren van de ‘War on Terror’ een radicaal verschillende weg insloegen. Het gaat haar om de kern van die oorlog zelf – hoe kon het gebeuren dat Ayaan en Aafia in een paar jaar tijd uitgroeiden tot vaandeldragers van twee wereldbeelden die elkaar uitsloten, met de islam als splijtzwam?

Hirsi Ali en Siddiqui hebben elkaar nooit ontmoet. De een streed zuiver met woorden, hoe ongenuanceerd soms ook, de ander werd in 2008 aangehouden in Afghanistan met giftige stoffen in haar tas, samen met landkaarten en een handleiding voor het maken van een bom. De eerste is nu een gelukkige moeder, opgenomen in een internationaal milieu van de politieke en intellectuele jetset, de ander zit een straf van 86 jaar uit in een Amerikaanse gevangenis.

Scroggins wisselt hun geschiedenissen af per hoofdstuk, wat in het begin storend is. Maar op een gegeven moment begint het te werken. Want anders dan hun tegengestelde levensloop doet vermoeden, hebben de twee veel gemeen. Beiden groeiden op in een verscheurd, marginaal islamitisch land; beiden zijn krachtige, intelligente vrouwen en voor allebei betekende hun komst naar het Westen een radicale omslag. Ayaan groeide op in een door burgeroorlog verscheurd Somalië, Siddiqui in een welgestelde Pakistaanse familie, waarvan de leden aanhangers waren van de orthodoxe Deobandi-beweging. Die is van oorsprong anti-koloniaal en staat een terugkeer naar de zuivere islam voor.

Maar religie en wetenschap werden bij Siddiqui thuis niet als tegengesteld beschouwd – de moeder van Aafia zag het vergaren van kennis als ondersteuning van het geloof. Aafia ging in Boston neurowetenschappen studeren en bleek briljant; al snel haalde ze haar doctorstitel.

Tegelijkertijd raakte ze daar onder invloed van de radicale islam. Ze deed liefdadigheidswerk, maar begon ook steeds fanatieker haar geloof uit te dragen; het leed van moslims over de hele wereld werd voor haar een brandende obsessie. Ze probeerde haar eerste man aan te sporen tot jihad in Afghanistan – uiteindelijk liet hij zich van haar scheiden. Ze trouwde met een overtuigd jihadi, een neef van Khalid Sheik Mohammed: het brein achter de aanslagen van 11 september 2001. Daardoor belandde ze in de harde kern van het islamitisch terrorisme. In 2003 verdween ze – het verhaal ging dat ze door de Amerikanen op een geheime plek werd vastgehouden, wat Amerika stellig ontkende. Scroggins gaat er vanuit dat ze was ondergedoken in het schemerwereld waar Al-Qaeda, de Pakistaanse Talibaan en de Pakistaanse inlichtingendienst, de ISI, de dienst uitmaken. Haar arrestatie in 2008 in Afghanistan ging gepaard met een schermutseling, waarbij ze met een machinegeweer op Amerikaanse militairen schoot en zelf in haar buik werd getroffen. Haar jongste zoon was bij haar. Aafia Siddiqui werd in 2010 berecht in de VS. In Pakistan groeide ze uit tot een symbool van islamitisch slachtofferschap – er waren talloze demonstraties en politici van alle gezindten namen het op voor deze onschuldige ‘dochter van het volk.’

Het is in die grotesk vertekende beeldvorming dat beide verhalen elkaar spiegelen. Zowel Ayaan Hirsi Ali als Aafia Siddiqui namen hun lot in eigen hand en trokken zich het lot van moslimvrouwen aan (Siddiqui meende dat de islam vrouwen beter beschermt tegen exploitatie), maar beide vrouwen werden ook ideologisch gebruikt door hun geestverwanten.

Zoals Scroggins schrijft: ‘Toen ik begon, had ik het gevoel dat de zeggenschap over vrouwen voor de radicale islam even fundamenteel was als het racisme voor het oude Zuiden van de VS en antisemitisme voor nazi-Duitsland. Ik weet nu dat dat inderdaad het geval is, jammer genoeg. Maar ik weet nu ook dat westerlingen die de islamitische wereld willen blijven overheersen, de islamitische opvattingen over vrouwen niet zozeer gebruiken om moslimvrouwen te bevrijden, als wel om de aanhoudende overheersing van moslimmannen door het Westen te rechtvaardigen. Overeenkomstig deze spiegelsymmetrie beweerden de jihadisten dat ze eigenlijk niet vochten om de zeggenschap over vrouwen te behouden, maar om zich van westerse overheersing te bevrijden. (...) Vrouwen als Ayaan en Aafia werden symbolen in gevechten die eigenlijk over andere dingen gingen.’

Het ligt subtieler, denk ik. De beeldschone Hirsi Ali bezorgde een generatie van vaak middelbare westerse mannen die gebukt gingen onder postkoloniaal schuldgevoel en afgedwongen relativisme een nieuw elan. Haar uitgesproken persoonlijkheid werkte als viagra voor het slappe westerse zelfbeeld – eindelijk kon de eigen viriele superioriteit weer zonder schuldgevoel beleden worden.

Nadrukkelijk stelt Scroggins dat beide vrouwen niet als elkaars morele equivalent kunnen worden gezien: Ayaan Hirsi Ali heeft nooit opgeroepen tot geweld, hoewel ze in sommige interviews pleitte voor militaire interventies in de islamitische wereld en onder meer in haar met Geert Wilders geschreven oproep tot een ‘liberale jihad’ bepaalde grondrechten klakkeloos opzij wilde schuiven.

In de loop van haar boek wordt Scroggins kritischer over Hirsi Ali. Ze staat uitgebreid stil bij haar leugens en verdraaiingen, haar effectbejag en opportunisme. Maar Hirsi Ali’s Werdegang wordt begrijpelijk wanneer je haar niet in de eerste plaats ziet als een idealistische vrijheidsstrijder, maar als iemand die vastbesloten is haar eigen leven te maken en aan niets of niemand iets verschuldigd wil zijn. Sympathiek is het niet – de vrijheid van anderen is ondergeschikt aan die van haarzelf – maar het boezemt wel ontzag in.

Siddiqui daarentegen, de tragisch ontspoorde verliezer, blijft ongrijpbaar. Door haar verhaal te vertellen tegen de achtergrond van het islamisme, met zijn hysterische drang naar zuiverheid en het zwelgen in slachtofferschap, laat Scroggins zien dat deze radicale moslima weliswaar uitzonderlijk, maar niet uniek was.

Zoals je kunt zeggen dat de ‘islamcritici’ van het afgelopen decennium blind waren voor de verscheidenheid aan moslims, zo kan je stellen dat de ‘weldenkenden’ de omvang en geraffineerde organisatie van het internationale jihadisme te weinig hebben erkend.

Dat is misschien wel de grootste verdienste van Wanted Women: in haar dubbelbiografie van deze twee zo verschillende vrouwen met een zo heel verschillend lot werpt Scroggins nieuw licht op een periode die nog maar nauwelijks geschiedenis is en die schreeuwt om duiding.

Deborah Scroggins: Twee vrouwen. Vertaald door Nico Groen en Jeske Nelissen. Nieuw Amsterdam, 384 blz. € 27,95

    • Bas Heijne