Wat u kunt leren van de Vestia-geschiedenis

Woningcorporatie Vestia torst een last van vijf miljard euro aan leningen mee op haar balans. Alleen al in 2010 kostte die schuld 156 miljoen euro aan rente, zo blijkt uit het jaarverslag. Stijgt de rente met twee procentpunten, dan komt daar zo maar honderd miljoen bij. Dat renterisico dekte Vestia af met derivaten. Tot zo ver niets aan de hand, ook al dragen die dingen exotische namen als knock-in collars, plain vanilla interest rate swaps en ‘gestructureerde rentederivaten met caps en floors’. Wel merkwaardig is dat Vestia twee keer zoveel aan derivaten heeft uitstaan als aan schulden: tien miljard euro. „Dan heb je vijf miljard aan open posities”, concludeerde econoom Sweder van Wijnbergen in deze krant. „Dit is puur gokken.”

De rente steeg niet, zoals Vestia verwachtte, maar daalde juist. Bovendien begon hij wilder op en neer te springen. De ‘volatiliteit’ nam toe, in beursjargon. Die twee factoren zetten de derivaten op verlies waardoor de corporatie geld moest gaan bijstorten, zogenoemde margin calls. Aan die bijstortingen dreigt Vestia nu failliet te gaan. Goed, tot zo ver alles helder. Maar voor de gemiddelde particuliere belegger zijn derivaten bepaald geen plain vanilla (‘doodgewoon’, ‘de normaalste zaak van de wereld’). Wat, zult u zeggen, heb ik hiermee te maken als ik niet van Vestia huur?

Alles. U gedraagt zich namelijk vaak net zo lichtzinnig als de inmiddels ontslagen Vestia-directeur Erik Staal en zijn commissarissen. „Dit verhaal doet denken aan particulieren die put-opties schrijven”, zegt Peter Siks, trainer-coach van particuliere beleggers bij Alex Vermogensbeheer. „De eerste keer schrijven ze drie putjes op Philips, of AkzoNobel. Verdienen ze wat, dan schrijven ze er de volgende keer vijf. En dan tien, en dan vijftig, en dan honderd.” Een mini-Vestia tekent zich af.

Met een putoptie kan een belegger zich verzekeren tegen een koersdaling van een pakket aandelen dat hij bezit. Stijgt dat aandeel juist in waarde, dan loopt de optie zelf waardeloos af. De betaalde premie gaat dan verloren. Heb je die aandelen niet, dan kun je met puts geld verdienen op een dalende markt.

Tegenover een koper staat in dit geval altijd een verkoper, in jargon de schrijver genoemd. Als je puts schrijft, moet je op de afloopdatum de aandelen kopen, tegen een vastgestelde prijs. Ook als die prijs lager is dan de beurskoers. Onderweg naar dat verlies vliegen je ook nog eens de margin calls om de oren. De schrijver verdient aan de premie, maar het risico op verlies is groot.

„Veel particulieren zien alleen een rendement”, weet Siks. „Aan het bijbehorende risico denken ze niet.” Hij blijft het erin hameren bij zijn pupillen. Vraag je eerst af: tot welk risico wil ik gaan? En vooral: kan ik het wel betalen als het misgaat? „In 2010 hebben particulieren leuk verdiend met puts schrijven. Maar toen bewoog de beurs ook veel minder dan het afgelopen jaar.”

Joost Ramaer