Patjepeeërs besturen het hoger onderwijs

Het schandaal over declaraties aan de TU Delft is geen incident, maar een symptoom van een ontspoorde bestuurscultuur bij universiteiten en hogescholen, stelt Bastiaan Bommeljé. Al ruim twintig jaar stijgt de bezoldiging van managers en daalt het onderwijsniveau.

De berichten in deze krant over het declaratiegedrag in de top van de TU Delft zijn niet slechts vermakelijk, maar vooral leerzaam (NRC Handelsblad, 20 en 24 januari). Vermakelijk omdat de Delftse decaan Marco Waas zonder met zijn ogen te knipperen een vakantie declareerde (13.300 euro voor een bungalow aan Cape Cod en 2.800 euro voor een gehuurde Chevrolet Uplander Minivan), naast een ‘kantoor aan huis’ à 27.000 euro, terwijl zijn declaraties tevens uitgaven omvatten zoals ‘diner voor twee’ van 288 euro, alsmede het leesvoer dat zijn echtgenote per internet bestelde. Zulks leidt tot de vraag: hoe goedkoop kan de declarerende klasse eigenlijk worden?

Nou ja, niet heel goedkoop. Dat blijkt wel uit de bonnetjes van het Delftse college van bestuur zelf, dat tussen 2008 en 2011 in totaal 916.143 euro declareerde, waarbij inbegrepen hotel-overnachtingen en diners die „veel duurder” waren dan de eigen regels toelieten. Collegevoorzitter Dirk Jan van den Berg kreeg over de afgelopen vier jaar 41.626 euro voor zijn telefoonabonnement en 28.190 euro voor ‘representatiekosten’, terwijl hij voor 69.108 euro veertig buitenlandse dienstreizen maakte. Tien keer was de bestemming China, waar de TUD een dependance heeft en Van den Berg ambassadeur was, zodat hij moeiteloos hotel ‘The Opposite House’ in Peking kon vinden, waar de overnachtingen bijna drie keer zo duur zijn als de eigen regels toelaten. Staatssecretaris Zijlstra kondigde een onderzoek aan, net zoals hij deed bij eerdere incidenten aan de TUD, waarover we nog niets vernamen. En hier komt het het leerzame deel van deze kwestie.

Instructief is de reactie van de collegevoorzitter, die het vorig studiejaar nog opende met een rede over integriteit aan de universiteit. Van den Berg betitelde de declaraties van de decaan als „ontoelaatbaar” maar ook als „vallend binnen eerder gemaakte afspraken”. Over zijn eigen declaraties stelde de voorzitter eveneens twee dingen: 1) „Dit is staande praktijk voor alle medewerkers” (wat werd ontkend door de ondernemingsraad van de universiteit) en 2) „We gaan de regels aanpassen, zodat het mogelijk wordt om de werkelijke kosten te declareren.”

Niet alleen de toon is leerzaam (ergens doet die meer denken aan de Soprano’s dan aan zuivere wetenschap), maar ook de sociale context. Hier spreekt immers een modale universiteitsbestuurder die met een bezoldiging van zo’n 245.000 euro en een maandelijkse onkostenvergoeding van 500 euro toch niet uitkomt. Derhalve moet de collegevoorzitter behoorlijk bijklussen om de eindjes aan elkaar te knopen. Sinds maart 2009 is hij ook commissaris bij Ziggo, hetgeen hem 50.000 euro per jaar oplevert. „Hij is erg geïnteresseerd in internet en nieuwe media”, verduidelijkt een woordvoerder.

Van den Berg is overigens lang niet de enige bestuurder in het hoger onderwijs die de kachel brandend houdt met bijbanen. Zo is René Smit, sinds 2005 voorzitter van de VU te Amsterdam (à 290.000 euro, drie keer zoveel als zijn voorganger), onder meer commissaris bij een koelbedrijf te IJmuiden en tot voor kort bij het Havenbedrijf Rotterdam – hij was er havenwethouder – waarvoor hij jaarlijks 30.000 euro ontving (de helft ging naar de universiteit). Rector magnificus van de Radboud Universiteit Bas Kortmann spant de kroon met vijftien nevenfuncties, onder meer bij uitvaartonderneming Dela, de ING en SNS Reaal. De ruime ton aan bijverdienste mag hij houden, naast zijn universitaire salaris van 215.000 euro.

Denk dus niet dat de collegevoorzitter van de TU Delft een ‘master in graaien’ is, zoals een blad van een concurrerende universiteit sneerde. De kwestie is juist dat hij zowel in bezoldiging en bijbanen als in toon en timbre de doorsnee vertegenwoordigt van de huidige generatie bestuurders in het hoger onderwijs. Gelukkig voor hen bepaalde minister Van Bijsterveldt onlangs – „na overleg met de sector”– dat de Balkenendenorm voor universiteitsbestuurders op ruim 223.000 euro komt. Dat betekende een verhoging van bijna 35.000 euro ten opzichte van de circa 189.000 euro die de regering bij het aantreden voor ogen stond, maar ook een verhoging met bijna 7.000 euro ten opzichte van de 217.000 euro waaraan de minister in de zomer van 2011 beloofde vast te houden.

Dit alles is wellicht leerzaam, maar nog veel leerzamer is dat het bij de TU Delft ging om het derde onderzoek in een paar jaar naar declaratiegedrag van bestuurders in het hoger onderwijs. En voor de derde keer kwamen er nogal wat financiële zelffelicitaties tevoorschijn. Het eerste onderzoek betrof het bestuur van de Universiteit Maastricht, met name voormalig onderwijsminister Jo Ritzen, die de afgelopen acht jaar voorzitter was tegen een bezoldiging van 270.536 euro (en een eenmalige pensioenaanvulling van enkele tonnen). Nu zegt geld de bestuursvoorzitter weinig, want in zijn afscheidsinterview in het universiteitsblad Observant meldt Ritzen dat hij „als oude sociaal-democraat uit de tijd van Joop den Uyl” het niet zo heeft op „de fat cats die zichzelf verrijken terwijl andere mensen hun baan verliezen”. De kwestie was echter, zo stipuleert hij, dat de hele discussie over topinkomens aan hem „voorbijgegaan was”, daar hij in de VS verbleef.

Blijkbaar geldt deze onthechting jegens het materiële voor meer onderwijsbestuurders, want ook de toenmalige voorzitter van de hbo-raad (met vijf betaalde bijbanen) Doekle Terpstra wuifde nog in 2006 bezwaren van de Algemene Onderwijsbond tegen de explosief groeiende bezoldigingen van hbo-bestuurders weg. „Als mensen daar schande van spreken, kan ik daar niet zoveel mee. […] Ik lig er niet wakker van”, sprak de voormalige vakbondsbestuurder.

Toen in 2007 de Limburgse omroep L1 een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur deed om de declaraties van de Universiteit Maastricht boven tafel te krijgen, verwees Ritzen jaloers naar de hbo-instellingen die bijna allemaal een bijzondere grondslag hebben volgens artikel 23 van de Grondwet en niet onder de WOB vallen. De universiteit moest de bonnetjes wel overhandigen, zoals die voor de plattegrond van Den Haag à 1,95 euro, alsmede de talrijke taxiritten naar Schiphol van zo’n 600 euro, maar weigerde dit voor de buitenlandse reizen van Ritzen (in 2008 bijna 16.000 euro).

Vast staat dat Ritzen de liefde voor China met de Delftse voorzitter Van den Berg deelt en er talrijke keren heen trok. Zij zijn niet de enige Nederlandse onderwijsbestuurders op wie de Volksrepubliek een grote zuigkracht uitoefent, in een tijd waarin menig wetenschapper noodgedwongen reizen naar congressen en symposia uit eigen zak moet betalen. Zo zijn diverse delegaties van ‘Schoolmanagers_VO’ (de club van schoolleiders „met een pro-actief mediabeleid”) naar ginds afgereisd, net als het bestuur van hogeschool Inholland. Dat presenteerde zich volgens professor Arnold Heertje als delegatie van de ‘Amsterdamse universiteit’ waarna plechtig overeenkomsten werden gesloten met de Universiteit van Shanghai.

Misschien was het dus geen toeval dat Inholland de tweede onderwijsinstelling was waarvan de onderwijsinspectie declaraties heeft doorgelicht. Het leverde in 2011 een grand guignol op van gratis diploma’s, minder lesuren en oplopende declaraties. Het ging om leaseauto’s van 70.000 euro met ingebouwde televisies, adviseurschappen van 178.000 euro per jaar, ‘prestatiebonussen’ van 34.000 euro, alsook ‘compensaties’ van 43.000 euro „vanwege de Balkenendenorm”, pensioenstortingen van 183.000 euro, jaarlijkse onkostenvergoedingen van tegen de 50.000 euro, en rekeningen voor reizen en horecabezoek die de inspectie gevoelig omschreef als „veel te hoog”.

Middelbaar onderwijs neemt dit gedrag moeiteloos over. Bestuurder Piet Boekhoud ontving gedurende drie jaar na zijn afscheid van het armlastige Albeda College in 2005 270 procent van zijn salaris als ‘adviseur’. Bovenop dit bedrag van 415.800 euro kreeg hij een pensioenaanvulling van 381.320 euro. Klaas Koops bleef na zijn afscheid als bestuursvoorzitter van het roc Friesland College op de loonlijst als ‘projectleider strategische beleidsvorming’ en bij zijn vertrek ontving hij 553.771 euro. En onlangs kwam een voorstel van de raad van voortgezet onderwijs om directeuren en managers tot 37 procent loonsverhoging te geven.

U denkt: is dat gepraat over geld niet ordinair? Ja, het is ordinair, maar dat is precies de kern van de zaak. De afgelopen twintig jaar is het onderwijs in de greep gekomen van een bestuurscultuur van patjepeeërs. Het hoger onderwijs is verworden tot een feodaal stelsel waarin de horigen (hoogleraren, docenten en studenten) niets te zeggen hebben, terwijl aan de top in twee decennia een hoeveelheid geld is verbrast die vele tientallen zo niet honderden aio’s en docenten aan werk had kunnen helpen.

Nu kan men tegenwerpen dat in deze tijd overal in de (semi)publieke sector de inkomsten scherp stegen. Dit is niet waar. In de afgelopen decennia bleven de cao-lonen in het onderwijs juist achter bij het landelijk gemiddelde. Daarnaast werd ook op de algemene middelen van het onderwijs bezuinigd, zodat het een periode was waarin de werkvloer steeds scherper contrasteerde met de be-stuurskamers. Bovendien sijpelde door het groeiende mangrovewoud van bestuurslagen steeds minder geld naar beneden. Onlangs berekende een accountantsbureau dat in het hbo nog geen twintig procent van het overheidsgeld het niveau van feitelijk onderwijs bereikt, terwijl daarboven talrijke managers en consultants doende zijn kwaliteitsslagen en verbetertrajecten te implementeren.

Men kan ook tegenwerpen dat voor goed bestuur van complexe organisaties een prijs betaald dient te worden. De kern van de zaak is evenwel dat het hoger onderwijs de afgelopen twintig jaar uiterst povere resultaten heeft geboekt. Nederland kent bij een relatief geringe studiebelasting een studierendement dat tot het laagste behoort van alle OESO-landen: in Nederland haalt al tijden slechts 47 procent van de studenten in vier jaar hun bachelor, terwijl het streefcijfer 70 procent is (in Duitsland wordt 77 procent gehaald, in Engeland 82 procent en in Japan 90 procent). Geen wonder dat de commissie-Veerman in 2010 een hard oordeel velde over het hoger onderwijs: het niveau is „te laag”, het moet „veel en snel beter”, anders „redden we het niet”. De commissie concludeerde ronduit dat het „slecht” gaat met het Nederlandse hoger onderwijs, dat als geheel niet meer verdient dan „een 6,5”.

Gelukkig sloot staatssecretaris Halbe Zijlstra een convenant met de VSNU, de belangorganisatie van universiteiten, over het verbetertraject voor het academisch onderwijs. Zulks gaat, valt te lezen in het convenant, via „een gedragen set indicatoren” alsmede „prestatieafspraken over de ambities op valorisatiegebied en de concretisering hiervan” die zullen leiden tot het „perspectief van een transparant, scherp geprofileerd en doelmatig opleidingenaanbod”.

Inmiddels weten we wat dit betekent: de TU Delft schrapt 15 procent van het onderwijs, aan de Universiteit van Amsterdam mag men voortaan in het eerste studiejaar een 5 compenseren met een hoger cijfer voor een ander vak (dit gebeurt trouwens al aan de Erasmus Universiteit en de Universiteit Leiden, en de Rijksuniversiteit Groningen denkt er serieus over na), terwijl dit verbetertraject ook een vermindering van tien procent van de tentamineerbare stof omvat. Nog grappiger is de maatregel die de Utrechtse rechtenfaculteit neemt om tot excellentie te komen. Het Engelstalige Utrecht Law College wordt uitgebreid en ondergebracht in diverse monumentale stadspanden à la de Britse colleges om excellent onderwijs te bieden aan streng geselecteerde studenten. ‘Benchmark’ voor de selectie voor dit exclusieve Law College is een 6.

De vraag blijft onbeantwoord waarom in Nederland een bestuurder van een onderwijsinstelling niet alleen meer moet verdienen dan een hoogleraar, maar ook meer dan de minister van onderwijs. Eveneens is duister waarom de Tweede Kamer al jarenlang het idee van een parlementaire enquête over het hoger onderwijs angstvallig op afstand houdt, terwijl toch ook in het onderwijs, net als in het gewone leven, de stront altijd van boven naar beneden druipt.

Bastiaan Bommeljé is uitgever en boekhandelaar, historicus en redacteur van Hollands Maandblad.

    • Bastiaan Bommeljé