Levende staart redt levens

Mensen laten niet graag hun lichaamsdelen los. Alleen als het echt, ècht niet anders kan. Hagedissen en sommige slangen zijn daar anders in. Zij amputeren zelf het uiteinde van hun staart, alsof het een fluitje van een cent is.

Als ze een beetje slordig zijn gepakt door een roofdier laten ze hun staart afbreken. De aanvaller staat dan opeens met alleen nog een staart in de snavel of bek, of naast zich op de grond. Die friemelt stevig en houdt hem bezig. De hagedis zelf schiet er ondertussen razendsnel vandoor, wat korter dan hij was, maar ontsnapt.

Wel met een wond, maar slechts een vleeswond. Er is een vaste plek voor afbreken. Er komt nauwelijks bloed aan te pas. En ondertussen leidt de staart een eigen leven. Niet als een doldwaze, nee, hij reageert op zijn omgeving. Als hij wordt aangeraakt beweegt hij opeens één kant uit. Of de andere. Of hij beweegt zich heel druk, als in doodsnood.

Biologen hebben het nu precies bekeken bij gekko’s, die wat mollige klimmende hagedissen. De losgelaten staarten van luipaardgekko’s leiden nog een half uur een eigen leven. Dat kan dankzij speciale zenuwbaantjes en handige resten spier in de eenzame staart (het staat in Experimental Biology, februari).

Op één zenuwbaan drukken: één spiergroepje slaat aan. Het staartje buigt één kant op, en schiet weer terug. Een andere zenuwbaan zorgt juist voor het tegenovergestelde. En allebei tegelijk? Complete kortsluiting en schijnbare paniek.

Zo’n staartje kan dan zelfs wegspringen, drie centimeter hoog. Salto’s maken doet het staartje ook – als het maar aan één kant wordt aangeraakt, maar dan heel druk en onregelmatig. Het is een perfecte nepprooi.

De overgebleven hagedis kan tevreden zijn. Gelukt. De belager zit nu achter zijn staart aan, of verbaast zich erover. En langzaam groeit bij de hagedis weer een nieuwe staart. Desnoods doet hij de truc later nog een keer. Net zo makkelijk, maar eigenlijk heel knap.

    • Frans van der Helm