Intimidatie van Tibetanen in Chengdu

Tibet is hermetisch van de buitenwereld afgesloten. Oscar Garschagen sprak Tibetanen in Chengdu, toegangspoort tot de Tibetaanse gebieden. „Het vuur brandt opnieuw en de Chinezen proberen dat vuur met geweld te blussen. Maar hoe groter de druk op de Tibetanen, hoe koppiger zij worden.” Verslag uit een gespannen stad.

Juist als de Tibetaanse monnik Laren Bovenqi uitlegt waarom alleen al in januari vier Tibetaanse monniken zichzelf in brand hebben gestoken, wordt er stevig op de voordeur van het appartement geklopt. Een vrouwenstem roept vriendelijk: „Doe open, er is een probleem met jullie airco, die lekt.”

Gastvrouw Yvonne Wang, een Han-Chinese volgeling van de Tibetaanse ‘levende boeddha’, doet open en wordt meteen hard weggeduwd. Een seconde later is de zitkamer gevuld met streng kijkende mannen en vrouwen, 22 politiemannen en 9 agenten van de staatsveiligheidsdienst in Chengdu, de hoofdstad van de provincie Sichuan in het Zuid-Westen van China.

„Wat doen jullie hier, dit is een illegale bijeenkomst, jullie mogen hier niet zijn, jullie zorgen alleen maar voor problemen”, gromt de commandant, terwijl zijn manschappen paspoorten, identiteitskaarten, maar ook tassen en apparatuur in beslag nemen.

De Tibetaanse gebieden mogen dan honderden kilometers van de regionale metropool Chengdu (14 miljoen inwoners) verwijderd zijn, de stad met een Tibetaanse wijk, verschillende kloosters en verbindingen naar de Tibetaanse gebieden staat voel- en zichtbaar onder hoogspanning.

Chengdu vormt de zuidwestelijke toegangspoort tot de Tibetaanse Autonome Regio (TAR) en de gebieden waar het de afgelopen weken en maanden tot hevige botsingen is gekomen tussen Tibetanen – monniken en gewone burgers – en een voortdurend uitdijende Chinese politie- en legermacht.

„De situatie in alle Tibetaanse gebieden is bijzonder gespannen”, zegt een Tibetaanse overheidsfunctionaris, die in Chengdu is om hetTibetaanse nieuwjaar met familie te vieren. „Ik heb het nog nooit zo erg meegemaakt. Het begint te lijken op de opstand van 1959 toen de Tibetanen massaal in verzet kwamen tegen het communistische bestuur en er duizenden doden vielen. Het vuur brandt opnieuw en de Chinezen proberen dat vuur met geweld te blussen. Maar hoe groter de druk op de Tibetanen, hoe koppiger zij worden. Er is volgens mij sprake van een nieuw Tibetaans ontwaken.”

In Wuhouci Hengjie, een straat met talloze Tibetaanse restaurants en winkels, patrouilleren speciale legereenheden met machinegeweren en worden wandelaars gefilmd en gefotografeerd door gewapende camerateams van de politie.

Nerveuze agenten van de staatsveiligheid eisen dat de laptops worden geopend en willen ook zien wat er op de camera’s staat van de vijf aanwezige vrouwen en de buitenlandse journalist. Laren, een rondreizende Tibetaanse monnik uit het Larung-klooster in Sertar (Seda in het Chinees) met een aanhang onder Han-Chinese gelovigen, wordt apart genomen als politiemannen beginnen aan een grondige huiszoeking.

„Wat moet je met deze Tibetaanse troep”, vraagt een agent aan een van de vrouwen als hij uit haar Gucci-tas een gebedsboekje heeft gehaald. „Waar bemoei je je mee? Dit boek kan je in iedere winkel in Chengdu kopen. We doen niets illegaals”, snauwt zij terug.

Rondreizende monniken als Laren worden nauwlettend in de gaten gehouden. Zijn Chinese volgelingen, vooral gefortuneerde zakenmensen, en zijn bezoekers worden onderworpen aan intimiderende controles. Zij worden, zeker zolang zij in Chengdu zijn, permanent gevolgd en waarschijnlijk ook afgeluisterd.

Vlak voor de inval van de politie en de staatsveiligheid vertelde Laren Bovenqi hoe hij tussen 24 en 28 januari getuige was van de demonstraties in Sertar (Seda), waarbij twee Tibetaanse doden vielen. De slachtoffers werden beschoten toen zij op een van de acht tanks en pantservoertuigen klommen die het leger had ingezet om de demonstratie te onderdrukken. Feiten die inmiddels ook bevestigd zijn door de Chinese autoriteiten.

In het appartement van mevrouw Wang eist de staatsveiligheidsdienst dat de bijeenkomst wordt opgebroken, ondanks heftige protesten van de aanwezigen. Een jonge officier – moderne coiffure, Pierre Cardin-spijkerbroek, North Face-jack en uitgerust met een iPad 2 – blijkt de leiding van de hele actie te hebben. Als hij na vele telefonades heeft vastgesteld dat de papieren van de buitenlandse journalist in orde zijn, dreigt hij met arrestatie van de Chinese vrouwen en hun familie als het gesprek met de monnik wordt voortgezet.

„Dit is het echte China, dit is geen loos dreigement. Het is beter als jullie gaan”, fluistert Yvonne Wang.

Diezelfde avond krijgt zij bericht dat de huur van het appartement, dat zij had betrokken om samen met andere Chinese gelovigen hun persoonlijke leermeester en gids Laren te kunnen ontvangen, met onmiddellijk ingang is opgezegd. Zij moet ook stoppen met het sponsoren van de monnik, want dat wordt beschouwd als ‘hoogverraad’ en een bedreiging van de nationale veiligheid. Ook de andere vrouwen worden met lange opsluiting bedreigd.

De Tibetaanse lama heeft „het advies” gekregen nog voor het begin van de Tibetaanse nieuwjaarsviering Chengdu te verlaten. Anders wacht ook hem het gevang.

Met Laren naar zijn klooster in Sertar (Seda) in de Sichuanse prefectuur Ganzi reizen blijkt een onuitvoerbaar plan. Alle Tibetaanse gebieden zijn fysiek, digitaal en telefonisch afgesloten. Chinese en Tibetaanse chauffeurs en gidsen in Chengdu hebben „de wenk” gekregen geen „tijd en benzine” te verkwisten aan buitenlanders die naar Ganzi en Aba willen. Ook Chinese toeristen worden geweerd met het argument dat de besneeuwde bergwegen onbegaanbaar zijn.

„Buitenlandse journalisten worden op het ogenblik meer gevreesd dan terroristen”, legt later op de avond een Tibetaanse televisiereporter in Chengdu uit. „Tenzij je je haar zwart verft, je ogen laat opereren en je huid een kleurtje geeft en wordt verborgen onder een lading maiskolven kom je er niet in.”

De riskante ontmoeting met deze Tibetaanse journalist, die wordt vergezeld door een bevriende Tibetaanse zakenman en de eerder genoemde Tibetaanse overheidsfunctionaris, vindt plaats in een pas geopend vijfsterrenhotel in Zuid-Chengdu en na lange omwegen om de staatsveiligheid (in twee zwarte Audi’s A6) af te schudden.

Alle drie zijn lid van de Communistische Partij van China (CPC) omdat het „de enige manier is om aan een behoorlijke baan te komen”. Zij zijn in Chengdu om bij familie het Tibetaanse nieuwjaarsfeest te vieren. Hun namen en leeftijd mogen niet worden gepubliceerd. Ondanks hun binding met de CPC verdedigen zij geen van drieën „het onverklaarbaar kortzichtige beleid” van Peking in de Tibetaanse gebieden.

De journalist in staatsdienst laat recente foto’s zien van optrekkende legercolonnes en van Chinese soldaten in wijnrode monnikendracht, waaruit hun machinegeweren omhoog steken.

De vraag waar zijn diepste loyaliteit ligt, beantwoordt de Tibetaanse ambtenaar met een zucht: „Uiteindelijk bij mijn eigen volk, want Chinezen zullen ook ons nooit echt accepteren. Ze blijven op ons neerkijken ook al werk je nog zo hard voor hen.”

De decennia-oude grieven van de Tibetanen tegen de dominantie van de Han-Chinezen zijn bekend en dateren van de jaren 50. De vraag is daarom waarom juist nu een nieuwe brand woedt. „Na de gewelddadigheden van 2008 is de situatie verder verslechterd ondanks beloftes van Peking om de toestand te verbeteren. Duizenden monniken en gewone Tibetanen worden nog steeds vermist, de Chinese onderdrukking is alleen maar groter geworden, veel Tibetanen zijn wanhopig geworden. Niet alleen de monniken, maar ook de gewone mensen zoals wij”, zegt de zakenman.

„We moeten op het werk en op de scholen tegenwoordig ook iedere ochtend het Chinese volkslied zingen. Het lijkt de Culturele Revolutie wel”, zegt de overheidsfunctionaris die in die jaren nog op een kloosterschool zat.

Bij oude sociaal-economische grieven over de Han-Chinese dominantie en de controles op de kloosters door het Bureau voor Religieuze Zaken zijn nieuwe klachten gekomen. In de Tibetaanse gebieden in Sichuan en de provincie Gansu zorgen grote, nieuwe bouwprojecten – nieuwe steden, industrieterreinen en spoorverbindingen – voor conflicten over land, compensatieregelingen en belastingen.

De Tibetaanse journalist: „Herders worden gedwongen hun graslanden te verlaten en een eeuwenoude vorm van levensonderhoud op te geven. De communisten vinden dat die herders in feodale omstandigheden leven, en dat is misschien ook zo, maar daar hebben die mensen wel voor gekozen en het is nu hun enige bron van inkomsten. De spanning doet zich steeds opnieuw voor doordat de Chinezen de herders dwingen in steden te gaan wonen en belasting te betalen.”

De zakenman, die het va-et-vient in de hotelbar scherp in de gaten houdt, verduidelijkt: „Het gaat echt niet alleen om de manier waarop de Chinezen de dalai lama schofferen of de monniken controleren, het gaat er ook om dat gewone Tibetanen totaal gemarginaliseerd worden. Jonge Tibetanen, vooral degenen die niet het klooster in willen, zijn in de Chinese economie kansloos door het slechte onderwijs. Zij komen nu ook in opstand, omdat zij helemaal niets te verliezen hebben. Dat blijkt uit de demonstraties en de zelfmoorden onder jongeren.”

De Tibetaanse regeringsfunctionaris: „Zelfmoord plegen druist tegen het Tibetaanse boeddhisme in. Het nemen van een leven, ook al is het je eigen leven, is een zonde. Maar misschien is het beter om allemaal samen te sterven, want het leven hier heeft steeds minder betekenis.” Zijn vrienden knikken zwijgend.

    • Oscar Garschagen