Ik speel landjepik met de dood

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over hun laatste levensfase.

Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

„Zet er maar een foto bij van een jaar geleden.” (foto linksboven) „Ik zie er vreselijk uit nu. Ik voel me als de kop die ik in Groningen op de kunstacademie van mezelf heb geboetseerd.” (foto rechtsboven)

„Je komt voor niks. Ik ga nog niet dood. Ik heb de dood diep in de ogen gekeken – ijskoude blauwe ogen heeft-ie. Ik heb teruggekeken, met m’n zwarte ogen die als houtskool kunnen gloeien. Ik zei: wie als eerste z’n ogen neerslaat, heeft verloren. Dat was de dood.

„Op 29 december kreeg ik te horen: foute boel, nog een maand of twee te leven. Zes dagen later meldde zich een longarts aan mijn bed. Hij zei: bij nader inzien kunnen we u toch vier chemokuren geven, u heeft een gerede kans dat we de kanker daarna weer een tijdje onder de duim kunnen houden.

„De eerste chemokuur heb ik gehad. Ken je die schoorstenen in de Europoort, met die walmende vlammen? In zo’n vlam heb ik in een hangmat gehangen. Hellevuur – zo voelt een chemokuur. Maar ik houd vol, ik ga mezelf hier doorheen slepen, ik ga winnen. Ik speel landjepik met de dood.

„Ik ga nog niet dood, ik kán nog niet dood, ik heb nog niet alles uit het leven gehaald wat erin zit. Ik vecht ervoor dat mij extra tijd wordt gegund.

„Toen mijn ouders trouwden, had mijn moeder, achteraf gezien, al multiple sclerose. In mijn jaren als baby en kleuter werd ze steeds slechter. Ik was vier toen de huisarts kwam vertellen dat ze MS had. Ik zie nog voor me dat mijn vader met de dokter zat te fluisteren. Toen de dokter weg was, stortte mijn vader zich huilend op bed. Bevroren heb ik een tijdlang naast hem gestaan. Hij keek me aan en zei: ‘Was jij maar nooit geboren, dan was je moeder niet verlamd geraakt.’ Die woorden staan in mijn ziel en op mijn huid geëtst.

„Ik was zeven toen mijn moeder op me steunde om naar de wc te gaan. We schuifelden de kamer uit, de gang in en vlak voor de wc-deur viel ze. Ik rende naar de buren om hulp te halen. Mijn moeder had haar been gebroken. Het is de allerlaatste keer geweest dat ze heeft gelopen. Vierentwintig jaar heeft ze totaal verlamd op bed gelegen.

„Mijn vader heeft me altijd behandeld als een kind dat er niet mocht zijn. ‘Jij bent te stom om voor de duvel te dansen’ – zulke teksten kreeg ik naar mijn hoofd geslingerd. Ik was een gevoelig en kunstzinnig meisje. Op school kreeg ik hoge cijfers voor opstellen, tekende prachtig, speelde toneel, kon piano spelen zonder dat ik ooit les had gehad. Ik wilde naar de kunstacademie, naar de toneelschool, ik wilde journalist worden. Zei mijn vader: ‘Geen sprake van, dan kun je beter meteen in de goot gaan liggen, daarmee is geen droog brood te verdienen.’

„Mijn hele leven heeft vervolgens in het teken gestaan van mensen en dieren redden. In feite was ik bezig m’n geërfde schuld af te lossen. Waren we op vakantie op Bonaire, kwam ik overal zwerfhonden tegen, was ik de hele week bezig blikken voer te kopen om die uitgemergelde beesten te eten te geven. Zag ik op tv een Bulgaars jongetje met leukemie, zamelde ik 94.000 euro in voor medische behandeling. Ibrahim. Hij heeft het gered, hij leeft nog.

„In 1998 ben ik in Groningen naar de kunstacademie gegaan, waar ik in 2001 ben afgestudeerd. De afgelopen dagen heb ik de fotoboeken van mijn werk uit die tijd bekeken. Nu pas zie ik dat ik ook in die tijd in gevecht was met de dood. Ik maakte een collage op een houten kistje: mijn buitenkant. In het kistje stopte ik dingen die niemand mocht zien: mijn innerlijk. Er stak een draad uit het kistje waaraan een kei vastzat. Dat was de dood die ik met me mee sleurde.

„Tussen twee chemokuren door ben ik nu thuis. Ik ben bezig met een grote opruimactie. Al mijn zwarte kleren heb ik weggegeven. Binnenkort komt iemand me helpen m’n boeken stuk voor stuk te bekijken; alles wat somber is, doe ik weg. In mijn hoofd zit de kunst die ik nog ga maken: in stralende kleur, terwijl ik tot dusver meer van de aardkleuren was.

„Op die manier zet ik de dood op een flinke afstand. Ik vecht voor extra tijd, ik ga leven, léven.

„De afgelopen weken heb ik ongelofelijk veel bezoek, telefoon en e-mail gekregen. Mensen zeggen, schrijven: hou vol, geef niet op, we houden van je. Die enorme steun, de liefde van zoveel mensen, heb ik tot dusver nooit werkelijk kunnen voelen. Maar ik hoor nu: je mag er zijn, je hoort bij ons, het is geweldig dat je geboren bent, we willen niet dat je doodgaat!

„Ik ga dus nog niet dood. M’n echte leven moet nog beginnen.”

Tekst & foto’s

Wie wil meewerken aan deze rubriek kan een e-mail sturen naar laatstewoord@nrc.nl.Twitter: #hetlaatstewoord