Ik bepaal zelf of ik slachtoffer ben of niet

Ted van Lieshout (56) is schrijver van (kinder)boeken, illustrator en dichter. In Mijn meneer schrijft hij over de relatie die hij als elfjarige had met een volwassen man. ‘Ik wilde de hysterie rond pedofilie nuanceren.’ tekst foto

Lolita

„Ik ben het jongetje op de omslag van het boek. De een ziet een aandoenlijk kind. Maar iemand zei ook: ‘Wat een Lolita’. Die zag een verleidelijk jongetje. Dat begrijp ik wel. Ik sta te poseren. Stevige benen voor een jongen van elf, die draai in mijn lichaam, de welving in mijn zwembroek. Ik zou nooit een foto van een ander kind op de omslag hebben gezet. In dit boek wordt er maar één kind misbruikt, en dat ben ik.”

Meneer

„Ik ga niet zeggen wie ‘mijn meneer’ is. Niks over zijn beroep, zijn interesses, zijn leeftijd, niet of hij getrouwd was. Ik wil niet dat mensen zeggen: ‘Ooh, hij bedoelt die en die.’ Laten we het erop houden dat hij in die zomer van 1966 onder de 35 was. Een knappe man. Ik zeg wel dat het in Eindhoven gebeurde, maar dat is nogal logisch want daar kom ik vandaan. Dit boek is een roman, gebaseerd op mijn ervaringen. Ik neem hem in bescherming totdat blijkt dat er meer mensen zijn die zeggen: ‘Hij heeft ook dit en dat met me uitgespookt’. Dan wordt het een andere kwestie. Ik heb twee keer eerder over hem geschreven, en toen heeft niemand zich gemeld. Voorlopig ben ik zijn enige ‘slachtoffer’, en die haakjes om het woord slachtoffer zijn van mij,”

Ted

„Het jongetje in ‘Mijn meneer’ heette eerst Peter. Daarna heb ik hem toch Ted genoemd. Zodat de lezer weet dat ik het ben, en dat ik me identificeer met het kind en niet met de man. Mensen vonden dat ik in mijn vorige boeken over deze relatie te veel begrip kweekte voor de man. Ik zeg dus nu: ik ben zeer fel tegen pedoseksualiteit. Zo. Niemand zegt het in mijn gezicht, maar je voelt de verdachtmaking, de suggestie: ‘Je kon er zelf weleens een zijn’. Wie misbruikt is, gaat het zelf doen. Zoiets. Ik begrijp het wel, maar waarom moet het zo hysterisch? Het slaat zelfs op mij over. Ik kom vaak op basisscholen om voor te lezen. Zie ik een man voor de kleuterklas, denk ik: ‘En waarom wil jij nou met kleine kinderen werken?’ Ontzettend naar. Het onderwijs kan niet zonder mannen.”

Liefde

„Tot mijn negentiende dacht ik dat het echte liefde was geweest. Dat hij mij had uitgekozen omdat hij me een bijzondere jongen vond. Dat vond ik namelijk zelf ook. Ik wist dat ik anders was dan anderen. Eenzaam. Kind zonder vader. Pedant. Dat ik homo was, wist ik ook. Ik hield niet van voetballen, niet van auto’s. Als er iemand een homofieltje was, dan was ik het. Ik ben het in elk geval niet door hem geworden. Heus, er bestaan mensen die dat denken. Pas later dacht ik: die man was gewoon pedo. Ik ging één plus één optellen. De meneer in het boek heeft zelf geen kinderen, maar wel Lego in huis. Waarom? Om kinderen te lokken? Het kan natuurlijk speelgoed uit zijn eigen jeugd zijn geweest. Ik wil daarmee zeggen: één plus één is niet altijd twee. Het is diffuser en complexer.”

Malle dingen

„Mijn moeder had een vermoeden. Ze heeft bij hem aan de deur gestaan om hem te waarschuwen. En mij vroeg ze of hij soms malle dingen deed. Nooit expliciet, altijd heel omfloerst. Ze is bang dat ze door het boek overkomt als een moeder die zich nergens om bekommerde. Dat is niet zo. Mijn vader ging dood op zijn zesenzestigste, een maand voordat ik acht werd. Zij bleef achter met vier kinderen van wie de oudste 9 was en de jongste 4. Ze was 31, mooi, ze wilde door met haar leven. Als zij uit bridgen ging ’s avonds, bleven wij fijn de hele avond achter de tv.

„Ik heb het haar verteld toen ik 15 was. Ze geloofde me direct. Ze wou de politie erbij halen. Dat zag ik niet zitten. Dan zouden ze erachter komen dat ik had meegewerkt. Dat ik niet eens had tegengestribbeld. Ouders denken dat een pedofiel een kind van z’n fiets rukt, de bosjes in sleurt en misbruikt, maar zo gaat het niet. Bij mij niet althans. De man die ik trof verlegde stapsgewijs en heel geduldig de grens, in de wetenschap dat kinderen trouw zijn aan degene die goed voor ze is.”

Snoep jatten

„Mijn moeder ging naar de kerk tot mijn vader overleed. Daarna bleef ze op zondag lekker in bed. Mijn geloof begon zo tussen mijn 10de en 14de af te nemen. Als kind geloofde ik dat mijn dode vader op een wolk zat en naar me keek. Zo verschrikkelijk vond ik dat, dat gebrek aan privacy. Ik wilde gewoon snoep kunnen jatten. Ik hoopte maar dat hij niet door daken heen kon kijken. Toen ik niet meer geloofde, heb ik hem in mijn hoofd met kist en al de grond in geduwd.”

Drie meter

„Ik vind nooit meer een man die twee keer zo groot is als ik. Als er een van drie meter zou zijn, riep ik meteen: die is voor mij. Ik weet niet of ik beschadigd ben. Ja en nee. Als puber was ik ongelukkig, maar ja wie niet? Het is me nooit meer gelukt om een bevredigende relatie te krijgen. De vraag is: komt dat door meneer of door mijn karakter? Ik heb al mijn creativiteit en energie in mijn beroep gestopt. Nu ik ouder word, en de top van mijn carrière heb bereikt, vind ik het toch jammer dat ik geen partner heb. Maar dit wordt wel erg privé. Dan wordt het zo’n sneu verhaal.

„Laten we het erop houden dat het aan mij is om te bepalen of ik slachtoffer ben of niet.”

Brieven

„Hij heeft me twee brieven geschreven. In 1993. De vraag is: waarom? Je kunt mijn oeuvre opvatten als een literair portret van een kind. Een soort biografie. Mijn stellige overtuiging is dat hij dat inzag en bang was dat hij nu aan de beurt kwam. Dat heeft hij voor willen zijn. In de brief vroeg hij om vergeving. Die heb ik hem gegeven. Ik vond het niet zo leuk. Hij maakte zo ook mijn mooie herinneringen kapot. In 1999 heb ik die brieven geparafraseerd in Zeer kleine liefde, met gedichten erbij. Ik wilde die episode van vroeger letterlijk in de vorige eeuw achterlaten. Maar het kwam toch terug. Het klinkt arrogant, maar ik vond dat ik met ‘Mijn meneer’ iets kon toevoegen. Ik wilde de hysterie rond pedofilie nuanceren. Het is heel wat anders dan wat volwassenen met elkaar doen. Natuurlijk, er zijn pedoseksuelen die kinderen zo misbruiken. Een pedofiel is aangetrokken door de seksuele ontluiking van een kind. De handeling is minder belangrijk. Meneer omringde me met aandacht, hij was gericht op mijn mogelijkheden. Ik ben niet verkracht ofzo.”

Sytze van der V.

„Op mijn weblog staat een reactie van Sytze van der V., die pedo die uit Eindhoven is weggestuurd. Ik weet niet zo goed wat ik ermee moet. Hij komt nogal verongelijkt over. Hij erkent dat hij schade heeft aangericht bij kinderen, maar hij vindt dat hij ten onrechte wordt uitgekotst. Dat snap ik wel. Zelfs moordenaars verjagen we niet. Ik ga niet op zijn bericht reageren, maar ik haal het ook niet van mijn site af. Ik heb geen zin om me te verdiepen in de psyche van een pedo en ik heb ook geen pamflet vóór pedofilie geschreven. Maar ik ga het ook niet rabiaat zitten veroordelen.”

Leugens

„Ik moest er fictie bijhalen om een lopend verhaal over de gebeurtenissen te maken. De intimiteit tussen een man en een kind beschrijven, zonder dat de lezer over zijn nek gaat. Het is een literaire compositie. Ik ben een novelle-schrijver. Eenheid van plaats, tijd en handeling, niet te veel personages en een beetje tempo graag. Mijn broers en zusje heb ik dus uit het verhaal gelaten. Die leiden maar af. In Gebr. schreef ik over de dood van mijn broer. Toen riep mijn moeder ook: ‘Hoe kan je onze honden en katten nou helemaal weglaten’. Een bevriende redacteur vond een paar passages in de eerste versie van Mijn meneer niet geloofwaardig. Laten dat nou net de dingen zijn die echt zo gebeurd waren! Ik moest de waarheid geweld aandoen om te zorgen dat de lezer het gelooft. ”

Wegrennen

„Hij ging te ver. Hij vroeg of ik hem als tweede vader wilde beschouwen. Ik was heel boos. Zoiets kan toch niet. Dat was de psychische breuk. Het andere was dat mijn lijf begon te reageren. Ik ben niet zo opgevoed, maar ik was preuts van mezelf. Niemand mocht mijn piemel zien. En zeker niet stijf. Seks was Verboden, met een hoofdletter. Ik vond het onbehoorlijk en heel erg vies. En mijn vader keek ook nog mee vanaf die wolk. Ik schaamde me dood. Ik had geen zin om met zo’n geheim opgezadeld te zitten. Er was altijd wel een kind dat erger gepest werd dan ik, maar ik hoefde het mezelf niet nog moeilijker te maken. Op een middag ben ik weggerend en nooit meer teruggekomen.”

'Mijn meneer' verschijnt op 7 februari; op die avond is er ook een documentaire te zien bij de NTR.

    • Ringel Goslinga
    • Rinskje Koelewijn