Herman Finkers heeft Twente, ik heb Curaçao

Stand-up comedian Jandino Asporaat breekt door. Morgen begint zijn Dino Show weer op tv. „Ik, een neger? Ik was zo verbaasd.”

Jandino Asporaat: „Ik zeg altijd meteen wat in me opkomt. Tegenwoordig krijg je daar medicijnen voor, vroeger gewoon klappen.” Foto Evelyne Jacq

‘Sinds ik op televisie ben heb ik een veel groter en breder publiek”, zegt tv-komiek Jandino Asporaat. Word ik op straat aangesproken door een enorme Feyenoordsupporter. Witte kleuters, die mijn liedje Meisje ik ben boos zingen. Dat kennen ze dan van YouTube, terwijl het echt niet voor kinderen bedoeld is. Of een vrouw in de Blokker. Ging ze een sketch van me nadoen. Ik kromp ineen. Doe dat nou niet! wou ik zeggen. Maar ik zei het niet.”

Gisterochtend. Asporaat zit in de kleedkamer van de Gooise villa in Eemnes waar het praatprogramma Koffietijd wordt opgenomen. Van 2006 tot 2008 was deze villa trouwens De Gouden Kooi. Het zwembad lig er prachtig bij in de sneeuw. Asporaat is in Koffietijd te gast geweest, onder meer om foto’s van zijn baby Elijah te laten zien.

Sinds zijn praatprogramma De Dino Show op Nederland 3 te zien is – morgen begint een nieuw seizoen – wordt Jandino Asporaat langzaam maar zeker een bekende komiek. Woensdag waren de opnames van de eerste twee afleveringen in Rotterdam; in de zaal een jong, veelkleurig en goed gekleed uitgaanspubliek, dat veel van hem houdt. Lang van tevoren staan ze rijendik te wachten. Alle komende tv-shows van Asporaat zijn al uitverkocht.

In De Dino Show praat Asporaat luchtigjes met gasten, gelardeerd met sketches, waarin Asporaat en zijn collega’s zwarte stereotypetjes neerzetten: de fastfoodbitch Judeska, de Hindoestaan die neerkijkt op zijn Afrikaanser getinte collega’s. Ze spelen ook ‘Broers zoeken vrouw’: Hollandse boeren die de koe verkiezen boven de dorpshoer.

Asporaat toert daarnaast langs de theaters met zijn derde comedyshow, Laat ze maar komen. Hij vertelt in zijn theatershows veel over zijn jeugd in het dorp Buena Vista op Curaçao. „Nu ik zelf een baby heb, denk ik meer aan mijn eigen kindertijd. Toen ik zijn babykamertje inrichtte, een commode, een stapel pampers, dacht ik: hij is nog niet geboren en hij heeft alles al. Ik moet dus op een andere manier indruk op hem maken. Ik heb het nu beter dan ooit, toch maakt me dat niet gelukkiger. Hoe zit dat? Als mijn moeder vroeger een appel meenam moesten we die met vier kinderen delen. Als ik nu een kiwi pak, en ik vind hem zuur, gooi ik hem weg.

„Mijn jeugd, dat was vijf straten en een winkel. Mijn moeder, mijn vier broers, drie ooms en ik woonden bij mijn oma. Wij sliepen op de grond in de woonkamer. Geen matrassen, maar kleedjes. Mijn moeder had drie banen: ze had een winkeltje, ’s ochtends maakte ze ergens schoon en ’s avonds stond ze in een snackbar. Ik zag haar niet zo veel, we werden opgevoed door mijn oma en mijn tante. Tante deelde wel eens een tik uit, maar alleen als ik die verdiende. Mijn moeder zei altijd: ‘Ik sla nooit, ik praat met ze.’ Ik noem dat schreeuwen. Mishandeling van mijn trommelvliezen, dat was het. Maar mijn moeder heeft ons altijd goed beschermd. Mijn vader was er niet. Die woonde elders in het dorp met een andere vrouw. Ik was gelukkig in mijn jeugd, arm maar dankbaar. We kampeerden in de zomer op het strand. Dan gingen we vissen in de zee. De vis ging op de barbecue. Dat was ons ontbijt. We hadden niets, dus we waren zorgeloos. De enige zorg die we hadden was: hebben we morgen wel te eten.

„Als ik nu terugga naar Curaçao, voel ik me een Hollander. Alles gaat me te langzaam. Ik pas er niet meer helemaal tussen. En zo gezellig is die familie ook weer niet. Voor mijn moeder was het al helemaal niet gezellig want die moest keihard werken. Als kind zag ik dat niet. Verder is Curaçao veranderd. Ook daar is iedereen nu bezig met meer geld, meer bezit. Het paradijs van mijn kinderjaren bestaat niet meer.”

In 1991 kwam het gezin naar Rotterdam: „Ik weet nog dat we bij Schiphol door de draaideuren gingen. Het was alsof ik een vrieskist instapte. Zo koud. We waren nog steeds arm. Mijn moeder had wel eens geen geld voor eten op het einde van de maand. Dan gingen we naar tante Annie. Dat was een oude, blanke vrouw. Tante Annie maakte nasi voor ons, want dan zouden we ons thuis voelen. Maar tante Annie gooide mosselen in de nasi. Hoe smerig is dát?”

Na een jaar moest zijn moeder een paar maanden worden opgenomen. „De overgang was te veel geweest. Wij, de kinderen moesten tijdelijk naar een internaat in Hoek van Holland. Die zomer was de ergste van mijn leven. Ik was heel boos op de wereld. Had mijn moeder van alles meegemaakt, kreeg ze dit er nog bij.”

De nieuwe Rotterdammer voelde zich anders, maar heeft daar geen slechte herinneringen aan: „Op Curaçao was ik al klein, mijn hoofd was al op maat, maar mijn lichaam liep wat achter. Ze dachten dat ik lilliputter zou worden. Ik had een bril met plakbandjes, een beugel en X-benen. Maar ik had een grote bek. Expressief ben ik altijd geweest, ik zeg altijd meteen wat in me opkomt. Tegenwoordig krijg je daar medicijnen voor, vroeger gewoon klappen. Nee, ik was heel gauw de populaire jongen op school. Terugkijkend was die grote bek een middel om te overleven, maar dat besefte ik toen niet.”

Pas laat vond Asporaat zijn roeping: „Ik wilde interieurdesigner worden, maar ik had alleen VBO. Ik werd schilder in de bouw. Daarna heb ik voor de SKVR gewerkt, een Rotterdamse instelling voor kunstonderwijs. Theater voor - en door middelbare scholieren. Dat was mijn leerschool. Daar heb ik geleerd met publiek om te gaan. Hoe je moet reageren als ze pennedoppen en erger naar je hoofd gooien. Toen een regisseur me in de pauze van een toneelstuk grappen hoorde maken, zei hij: je moet een keer aan Cameretten meedoen. Blijkbaar was ik op mijn leukst in de pauze. Ik dacht: ik vertel gewoon over mijn leven, over mijn familie. Ik had thuis een uur aan grappen ingestudeerd, maar op het podium was ik er in een kwartier doorheen. Toen hebben ze mij de persoonlijkheidsprijs gegeven.”

De jury van Cameretten omschreef hem als een „een swingend lefgozertje” en „een spontane, drukke persoonlijkheid met een messcherpe kijk op zijn bruine roots én op de melkwitte wortels van deze zijde van de samenleving”.

Asporaat speelde bij komiekencollectief Comedytrain en kwam bij Men at Work terecht, het Rotterdamse productiebedrijf waarvan Jörgen Raymann mede-eigenaar is. De Surinaamse komiek nam hem onder zijn hoede. De vergelijking met mentor Raymann ligt voor de hand – ook veel grappen over zwart en wit – maar Asporaat lijkt meer op Marc-Marie Huijbregts: een vrouwelijke, charmante man, opgewekt opgewonden, die snel een gezellige sfeer kan scheppen, onder meer door veel met het publiek te praten. Je ziet de liefde bloeien, tussen hem en de zaal. „Ik vind de vergelijking met Marc-Marie heel vleiend want hem vind ik geniaal. Ikzelf had geen andere keuze. Hoe vertel je een grap? Weet ik veel. Dus ging ik maar met het publiek zitten praten.”

Net als andere stand-up comedians van zijn generatie, is Asporaat niet zozeer opgegroeid met het Nederlandse cabaret alswel met Amerikaanse comedians, vooral met Eddie Murphy: „Zo mooi en simpel hij over zijn familie kan vertellen. Hij houdt het altijd dicht bij zichzelf. Via Murphy leerde ik Richard Pryor kennen. Bij hem bewonder ik hoe hij de zwarte kant laat zien op het podium.”

Wanneer besefte Asporaat voor het eerst dat hij bruin was? „Dat heb ik nog steeds wel eens. Loop ik langs een spiegel en dan denk ik: ‘Hé’. Ik herinner me de dag nadat we waren uitgeschakeld in de kwartfinale van het WK 1998, tegen Brazilië. Ik liep over straat, was chagrijnig dat we er uit lagen. Kwam er een man langs, die zei: ‘Kankerneger, door jullie hebben wij verloren’. Ik was zo verbaasd. Ik dacht: Nee, nee, u begrijpt het niet. Ik ben ook Hollander. Zullen we samen even gaan janken?

„Maar dat is niet vaak voorgekomen en het raakt me niet echt. Nee, de eerste keer dat ik echt op mijn huidskleur werd gedrukt, was na Cameretten. Trouw schreef de volgende dag: ‘Finale jubileumeditie Cameretten zonder Nederlanders. Twee Vlamingen en een Antilliaan streden om de prijzen’. Ik was zo beledigd. Ik was er toch? Ik ben toch Nederlander? Maar mijn regisseur zei: Je moet het omdraaien. Jij hebt als eerste Antilliaan op dit blanke festival een prijs gewonnen. Dat is bijzonder.

„Nu vind ik het niet vervelend meer om aansproken te worden op mijn Antilliaanse achtergrond. Nee, ik ben niet bang voor typecasting. Dat zijn mijn wortels en de bron waaruit ik put. Toon Hermans gebruikte zijn Limburgse afkomst, Herman Vinken heeft het altijd over Twente, en ik kom uit Curaçao. Daar is niets mis mee.”

De Dino Show

zondag, Ned. 3, 21,55 - 22.30 uur

    • Wilfred Takken