Column

Guniettuh!

Het is bijna tien jaar geleden dat de Nederlanders werden opgeschrikt door een slagzin van toenmalig staatssecretaris van Volksgezondheid Clémence Ross-Van Dorp. Maak je niet dik.

Als de dag van gisteren herinner ik me dat ik die woorden las. Ook toen waren het al moeilijke tijden, hoewel nog niet zo moeilijk als nu. Hadden we ons voor niets zo bezorgd gemaakt? Toen kwam de toelichting. ‘Het gevaar is een kilo per jaar.’ Het ging dus niet over het moslimterrorisme. We werden bedreigd door onszelf, door de hoeveelheid vette en zoete lekkernijen die we elke dag naar binnen werkten. In 2002 was het dusdanig uit de hand gelopen dat de regering moest ingrijpen. Dat gebeurde naar nationaal gebruik radicaal, met een rijmpje. Fatsoen moet je doen, zei onze minister-president niet veel later, nadat de verhuftering was ontdekt.

Nu, aan het begin van 2012, wordt opnieuw nationaal alarm geslagen. Het Parool heeft minister Edith Schippers van Volksgezonheid geïnterviewd. „Ik sleep me af en toe naar de bossen om hard te lopen. Ik vecht nog tegen de kerstkilootjes”, zei ze. Maar dat lukt wel. Ze maakt zich bezorgd over de kinderen die het liefst voor de televisie zitten terwijl ze chips of zoetigheid naar binnen proppen en het dan met een glas cola of andere frisdrank wegspoelen. Frisdrank. Welk genie heeft dat woord verzonnen. Als het om de volksgezondheid gaat zou spekdrank of vetbubbels of pensprik beter zijn.

In Amerika wordt sinds een jaar of dertig een oorlog tegen de tabak gevoerd, steeds fundamentalistischer. Eerst kwamen de huiveringwekkende waarschuwingen op alle tabaksverpakkingen. Europa volgde. Nu kost een pakje sigaretten in New York omstreeks twaalf dollar. In het Central Park mag je niet meer roken. Steek je op straat een sigaret op, dan hoor je meteen een ‘uche uche’ achter je. Een fanaat die net als jij door de dichte wolken CO2 van de uitlaatgassen loopt, gelooft dat hij/zij door een sliertje tabaksrook zal worden vergiftigd en beweegt zijn hand voor zijn neus. En ja, ik besef het, die rook is heel slecht voor de gezondheid.

Ergens, ik weet niet meer waar, werd het voorstel gedaan om ongezond voedsel op dezelfde manier te behandelen als tabak. Op een zakje chips, een bak frieten: Vraatzucht is dodelijk. Op een flesje limonade: Uw arts of apotheker kan u helpen te stoppen met het slikken van deze dikmaker. En dan natuurlijk een verbod op de reclame. Geen spotjes meer van mensen die roomijs likken, hamburgers verzwelgen, frieten happen en daarbij een gezicht trekken alsof ze de Openbaring beleven. Leuk idee, maar er komt niets van.

Vraatzucht is de mens aangeboren. Ik herinner me een illustratie van Gustave Doré bij een verhaal uit Duizend en één nacht. (Of is het Baron von Münchhausen?) In ieder geval, het gaat over een sultan of een koning die van het onmatig zwelgen zo dik is geworden dat hij niet meer zelfstandig kan ademen. Twee lakeien sproeien met blaasbalgen de noodzakelijke zuurstof in zijn neusgaten. Een weerzinwekkend plaatje. En dan hebben we onze eigen Holle Bolle Gijs. „Hij kon schrokken grote brokken, een koe en een kalf en een heel paard half. Een os en een stier en zeven vaten bier. Een schip vol schapen en een kerk vol rapen. En nog kon Gijs van de honger niet slapen.” Een modern mens.

Dikke mensen zijn er altijd geweest, maar de universele vraatzucht is een kenmerk van deze tijd. Overal in het Westen groeit het aantal mensen ‘met overgewicht’, de beginnende en de voltooide vetzakken, tot een meerderheid. Het is begonnen in Amerika, tientallen jaren geleden, met fast food. Lekker, niet duur, snel weg te happen. In de jaren vijftig had je een keten van wegrestaurants, Howard Johnson, die een onweerstaanbare reclame maakte met het heerlijkste ijs in zestien smaken. Daar kon je geen ‘nee’ tegen zeggen. McDonald’s met de hamburgers was er al. De hamburgers werden groter, met drie dekken. En daar kwam de Kentucky Fried Chicken, gevolgd door nog veel meer vetverkopers. In Amerika is het geheim van lekker uitgevonden. En als gevolg daarvan zie je er ontzettend veel dikke mensen op straat.

De rest van het Westen volgde. Twee keer per jaar kom ik in Griekenland, dat op de rand van de economische ondergang staat. Dat mag zo zijn, maar je ziet er meer vetzakken dan hier. Lijders een obesitas noemen we ze. Maar in tegenstelling tot wat veel mensen denken, staat obesitas niet op zichzelf. We hebben te maken met een van de verschijningsvormen van een eigentijdse universele hebbelijkheid: de drang tot zo veel mogelijk genieten. Spreek uit: gùhniettùh! Alles moet nog lekkerder, meeslepender, spannender en vooral leuker. Kijk naar de televisie. Wat daar 365 avonden per jaar gelachen, gedanst, gehost en nog veel meer leuks gedaan wordt. En dan hebben we nu internet dat zich definitief tot de supermarkt voor de geest heeft ontwikkeld. Voor wie dat wil: een gratis en eindeloos genieten.