Geen seconde langer

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: alleen zijn.

En ik kon zo goed alleen zijn. Ook voor mijzelf was dat een grote verrassing. Als je tweeëntwintig jaar met iemand samen bent geweest, weet je dat niet. Maar ik bleek het dus heel goed te kunnen: alleen zijn. Dat zei ik ook tegen iedereen: ik kan toch zo goed alleen zijn. Heerlijk.

In het weekeinde, als de meisjes bij hun vader waren, ging ik in mijn eentje naar ons huisje in Frankrijk. Ik zocht in de donkere, vochtige kelder naar de hoofdkraan, stookte de kachel op en zette de elektrische deken aan. Het hele weekeinde was ik lekker in de weer met mezelf warm en in leven houden: gezellig voor de kachel, alleen met mijn gedachten (die opeens met heel veel en nauwelijks verward waren).

Als ik in Nederland bleef, dan fietste ik naar een stukje niemandsland tussen een spoorlijn en een snelweg waar een lieve vrouw paarden hield. Vroeger deed ik er met de auto tien minuten over, maar op de fiets – langs de rafelranden van de stad en door een uitgestrekt bos – duurde het bijna een uur. Heerlijk, dacht ik dan, lekker een stuk fietsen. Als het gesneeuwd had, trok mijn fiets als eerste een spoor door het bos. Op het stukje niemandsland borstelde ik een paard, ging er op zitten en wat later galoppeerde ik langs een kanaal. Als ik daarna weer alleen naar huis fietste, dacht ik: ik bof toch maar, dat ik zo lekker alleen kan zijn.

Alleen slapen, ook zo fijn. Rimpelloze nachten zonder boos gefluister, het bed alleen voor mij. Af en toe kwam er wel eens een man op bezoek, maar die ging op tijd weer terug naar zijn eigen vrouw. Soms bleef er een slapen en dan dacht ik, verdorie, waarom?, liever sta ik morgen alleen op.

En eten in een restaurant, dat kon ik ook zo goed in me eentje. Eetlezen gaat heel goed met een iPad. Ik dacht echt niet voortdurend aan de tijd dat ik na mijn werk thuiskwam in een warm huis waar de lichten brandden, er iets op het vuur stond en de meisjes in elkaars armen voor de televisie hingen.

Maar opeens kan ik het niet meer zo goed. Opeens wil ik de hele tijd mijn verkering aan het lachen maken. Hem YouTube-filmpjes laten zien. ’s Nachts mijn voet in de zijne haken. Nu weet ik dat je ook met iemand samen kunt paardrijden, door de duinen, langs het strand, terwijl de zon iets onfatsoenlijks met de lucht doet en we vriendelijk groeten naar eendenjagers en onze adem inhouden als we in de struiken een dood vosje zien (waar we het de volgende dag nog over zullen hebben, over hoe mooi het daar lag en waaraan het zou zijn gestorven).

En mijn verkering kan dan misschien niet koken, hij weet wel op welke adressen hij lekkere spullen om op te warmen moet kopen. En na het eten stuurt hij me weg („Jij wilde toch wandelen?Jij moest toch even alleen zijn, om te kunnen nadenken.” Dat ‘nadenken’ spreekt hij licht spottend uit. „Nu, ga dan.”) En dan loop ik wat langs de gracht en ben na een half uur wel weer uitgedacht en als ik dan ontdek dat ik de sleutels ben vergeten, geeft dat niet, want er is iemand die voor me opendoet.

Goed alleen kunnen zijn, weet ik nu, is net zoiets als goed je plas kunnen ophouden. (Dat kan ik echt heel goed he, mijn plas ophouden.) Het lukt zolang het nodig is. Als je eindelijk op een wc zit, weet je: het had geen seconde langer moeten duren.

    • Monique Snoeijen