Geef niet de Schilp schuld

Betrokkenen bij het Nationaal Historisch Museum handelden vaak onhandig, vindt Gert Oostindie. Maar de thematische aanpak was goed beredeneerd en de digitalisering was succesvol.

Nederland ,Amsterdam, 8-11-2007 Op 8 november a.s. wordt het Ateliergebouw aan de Hobbemastraat in Amsterdam officieel geopend. In het Ateliergebouw bundelen het Rijksmuseum Amsterdam, de Universiteit van Amsterdam en het Instituut Collectie Nederland de aanwezige kennis op het gebied van restauratie en conservering van kunstvoorwerpen. Het Rijksmuseum richt zich op restauratie en conservering van objecten, de UvA zet in het gebouw de wetenschappelijke opleiding conservering en restauratie voort en het ICN houdt zich bezig met natuurwetenschappelijk en kunsthistorisch onderzoek. Het Ateliergebouw is daarmee een uniek centrum voor restauratie, wetenschapsbeoefening, onderzoek en opleiding waar multidisciplinair wordt gewerkt aan behoud en beheer van het Nederlandse cultureel erfgoed. Het is het eerste gebouw dat gereed is gekomen in het kader van Het Nieuwe Rijksmuseum van de hand van de Spaanse architecten Cruz en Ortiz. Foto Maarten Hartman Hollandse Hoogte Maarten Hartman Hollandse Hoogte

Het Nationaal Historisch Museum is ten grave gedragen en het regent terugblikken. Sommige nogal venijnig. Zo schrijft Paul Scholten, de voormalige burgemeester van Arnhem – ooit de beoogde locatie van het NHM – het echec toe aan ‘de hooghartige hoofdrol’ van algemeen directeur Erik Schilp (NRC Handelsblad, 5 januari).

Schilp zou de locatie Arnhem hebben geboycot omdat die niet strookte met „de sfeer van hem en zijn elite”. Hij verkoos, aldus Scholten, een heilloos „hutspotspoor”; een benaming die initiatiefnemer Jan Marijnissen jaren geleden al introduceerde toen hij Schilp en mededirecteur Byvanck verweet het NHM tot een „postmoderne hutspot” te laten verworden.

Nog krachtiger drukt columnist Jan Kuitenbrouwer zich uit (NRC Handelsblad, 11 januari). Het NHM is volgens hem te gronde gegaan aan „modern, professioneel narcisme”. Van toenmalig minister Plasterk, die te veel haast zette achter een prestigeproject; van de gepasseerde architect Houben die te eigenzinnig haar verbeelding van de canon vooropstelde; maar vooral van de „trendy aspiraties van twee museumdirecteuren” die zich lieten leiden door een postmodern, jawel, „hutspotisme”.

Zowel Scholten als Kuitenbrouwer reageert op de grafrede die Bas Heijne schreef voor het NHM, waarin hij het fiasco toeschrijft aan een breder Nederlands onvermogen om het eens te worden over inhoud en betekenis van het nationale verleden (NRC Handelsblad, 3 januari) .

Nu is het wel duidelijk dat het hele proces, dat in 2006 op uitdrukkelijk verzoek van het parlement van start ging, gemarkeerd werd door veelvuldig ongelukkig manoeuvreren, van alle betrokken partijen, ook van de directie. Maar het is al te gemakkelijk om de schuld primair bij hen te leggen. Ik wil daar iets over zeggen als vakhistoricus – een perspectief dat in de venijnige debatten te weinig aan bod komt.

De benadering van Schilp en Byvanck riep ook bij mij veel vragen op. Historici houden van een goed gestructureerd verhaal. Ik aarzelde daarom om de uitnodiging te aanvaarden om mee te denken over de invulling van het museum. Ik deed het toch, omdat gesprekken met Schilp en Byvanck mij vertrouwen gaven in hun aanpak en omdat ik zag dat zij veel moeite deden om een brede kring van deskundigen als adviseurs aan te trekken. Kennelijk werkte dat, bij mij en bij veel collega’s.

Zo kon het NHM uiteindelijk beschikken over een legertje historici die de te boek gestelde voorstudies voor de permanente tentoonstelling van grondig commentaar voorzagen, kritisch zoals dat hoort.

Wat mij steeds beter beviel in hun benadering was de voortdurende nadruk op het idee dat zij een heel andere doelgroep moesten bereiken dan het toch betrekkelijk elitaire publiek waarvoor historici meestal schrijven. Het beoogde NHM-publiek zou, geheel conform de wens van het parlement, immers jonger zijn, (nog) weinig opgeleid, met een gering besef van historische feiten of samenhang. Hoezo elitair?

Hun grootste zorg was hoe zij de Nederlandse geschiedenis pakkend konden neerzetten. Dat zij het daarbij niet handig vonden om de nationale geschiedeniscanon op de voet te volgen kon ik begrijpen, al zag ik wel mogelijkheden voor de canon als leidraad. Maar zeker is dat hun keuze voor vijf ‘werelden’ goed beredeneerd was en inhoudelijk grondig werd uitgewerkt – geen onhistorisch, postmodern rommeltje.

Prachtig bleek het gebruik van moderne technologie voor de presentaties, waardoor het NHM niet beperkt was tot dat ene gebouw, waar dan ook. Het wordt door de critici consequent verzwegen, maar het digitale project X was hier – plaatsen van herinnering en ook de website met duizenden levensverhalen en beschrijvingen van historische plekken, personen en gebeurtenissen wonnen internationale prijzen.

In die zin was het beoogde historische museum ook bezig een museum voor de toekomst te worden. En geloof me, historici als ik zouden dat niet hebben bedacht. ‘Ons’ museum zou misschien wat grondiger zijn geweest, maar vooral een stuk saaier – en daarmee was het bereiken van de parlementaire doelstelling een stuk moeilijker geworden.

Niemand kan blij zijn met het echec. Wat mij achteraf teleurstelt is ook het gebrek aan brede steun uit de wereld van historici; daar overheerste kennelijk wantrouwen over de onconventionele aanpak, mogelijk ook kinnesinne. Meer nog ergert mij de opstelling van het parlement, dat het hele plan zo gemakkelijk liet zakken. Financiële crisis, noodzaak tot bezuinigingen, zeker. Maar stiekem toch ook, zo lijkt het, vergelding voor het feit dat het NHM niet de nationale identiteitsfabriek kon worden waarop naïef was gehoopt. Dat had iedere serieuze historicus al veel eerder kunnen uitleggen.

Gert Oostindie is directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, land- en Volkenkunde (KITLV-KANW) en hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Leiden.

    • Gert Oostindie