Dode mammoet komt tot leven

Paleontologie Mammoeten aten poep. Dick Mol en Bas van Geel zagen het aan de inhoud van mammoetdarmen uit Siberië.

Karel Knip

Hoe levend kan een dode mammoet worden? Er is een Nederlandse onderzoeker met mammoetbiefstuk in de ijskast. En stukken mammoetvacht. En er is een ander die resten van de darminhoud van mammoeten koestert, ja, zelfs complete drollen. Spreek ze beiden en de mammoet leeft.

Dick Mol is de man met de mammoetbiefstuk, een biefstuk die zo stinkt dat wel vast staat dat de huidige bewoners van Siberië nooit mammoetvlees eten, al wordt dat wel eens gesuggereerd. Mol is douanier maar vooral ook de amateur-paleontoloog die zoveel kennis over de wolharige mammoet (Mammuthus primigenius) verzamelde dat hij volwaardig meedraait in het academische circuit. Hoe dat zo gekomen is, moet hier vandaag onbesproken blijven.

De man met de darminhoud is Bas van Geel, als palynoloog en paleo-ecoloog verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Stuifmeelonderzoek aan bodemmonsters stelt hem in staat tot klimaatreconstructies aan de hand waarvan hij aannemelijk maakt dat de invloed van de zon op het klimaat groter is dan wordt erkend. Maar soms doet Van Geel ook mammoetonderzoek.

Mol en Van Geel kennen elkaar ruim tien jaar. Als mammoetspecialist was Mol betrokken geraakt bij de berging van de vermaarde Jarkov-mammoet, de mammoet die in 1997 door jagers in Siberië was gevonden. Het karkas was zo’n 20.000 jaar oud, maar bezat nog huid en haar en al zijn tanden, of liever gezegd: kiezen. Het is in 1999, ingevroren in een blok toendrabodem, door een helikopter naar Khatanga gebracht en wordt daar in een grot in de permafrost bewaard. De operatie is door Discovery Channel sensationeel verslagen.

Ongeschonden vacht

Mol heeft jaren gewerkt aan het vrij prepareren van de Jarkov-mammoet. Toen de ongeschonden vacht tevoorschijn kwam, realiseerde hij zich dat daarin stuifmeelkorrels en plantenresten van de oorspronkelijke biotoop konden hangen – daar heeft Van Geel toen naar gekeken. Dat was interessant, zegt die nu, maar je weet natuurlijk niet hoeveel contaminatie heeft plaatsgevonden.

In 2003 hoorde Mol dat er weer een bevleesde mammoet was ontdekt, althans: een halve. De Discovery-reportage heeft de belangstelling voor mammoeten een impuls gegeven, ook wordt op het ivoor gejaagd. De nieuwe mammoet, de Yukagir-mammoet, was 22.500 jaar oud. Mol bezocht de vindplaats en ontdekte dat er nog een flink stuk intacte en gevulde darm bij het karkas lag. Veel Russische interesse was er niet en hij besloot een stuk voor nader onderzoek mee naar Nederland te nemen. Er ging een telefoontje naar Bas van Geel. “Voor zover ik dat kan zien”, zei Mol hem, “zitten er nog onverteerde takjes en blaadjes in die darm. Sommige zijn nog groen.”

In een flits begreep Van Geel dat er nu een uniek monster van de biotoop van de mammoet beschikbaar was dat niet vervuild was. Nog dezelfde dag zat hij bij Mol. “Ik heb onmiddellijk een team geformeerd voor het onderzoek. Chemische analyse, een mossendeskundige, oud-DNA. En zelf deed ik het onderzoek aan stuifmeel, schimmels en de grotere plantenresten.”

Het onderzoek toonde aan dat deze Yukagir-mammoet had geleefd in een omgeving die er heel anders uitzag dan de vochtige, koude toendra, waar schoolkinderen hem vonden. Geen mossen en kleine struiken, maar een droge, bloemrijke vlakte, gedomineerd door grassen en Artemisia: een steppe. Dat er op de plaats waar tegenwoordig toendra’s liggen vóór het eind van de laatste ijstijd, ongeveer 10.000 jaar geleden, steppen lagen was al wel uit stuifmeelonderzoek bekend, maar ‘verse’ monsters uit die steppe zijn nauwelijks beschreven.

Mammoetsteppe

Een sensatie! En een welkome sensatie want de belangstelling voor de aard en het lot van deze steppe, die inmiddels de mammoetsteppe heet, is groot. Toen rond 11.000 jaar geleden de droge, koude steppen verdwenen en plaats maakten voor de natte, koude toendra verdwenen ook de wolharige mammoet en veel van de dieren waarmee hij samenleefde: wolharige neushoorns, steppenleeuwen, de steppenwisent, muskusossen, noem maar op. Niet alleen in Siberië, maar ook in Alaska en gelijksoortige streken. “Alleen op schoolplaten leeft de mammoet voort op een toendra, vaak zelfs een besneeuwde toendra”, bromt Dick Mol. “Ook wordt hij daar altijd véél groter afgebeeld dan hij was. Hij was meestal niet hoger dan 2 meter 70.”

De meeste wetenschappers nemen aan dat de mammoet verdween doordat zijn steppe verdween. De toendra met zijn winterse sneeuwbedekking heeft een korter groeiseizoen en bestaat uit gewassen waaruit alleen rendieren en elanden voldoende voeding weten te halen. Maar er is ook een theorie (zie Science, 6 mei 2005) die zegt dat de koude steppe verdween doordat de mammoet verdween, bijvoorbeeld door toenemende jacht. De mammoet en andere grote herbivoren zouden met hun graasgedrag de steppe in stand hebben gehouden. Er is, kortom, wetenschappelijk debat en alle informatie over de vegetatie is daarin belangrijk.

Maar het onderzoek aan de Yukagir-darminhoud leverde ook informatie op die iets zei over de mammoet zelf. Tussen de schitterend bewaard gebleven plantenresten, blaadjes, takjes en pollenkorrels werden sporen gevonden van schimmels die alleen groeien op mest, bijvoorbeeld die van de ascomyceet Sporormiella. Nu was de mammoetsteppe natuurlijk bezaaid met mest en dus met de sporen van mestschimmels. Maar in de Yukagir-darm werden ook de vruchtlichamen gevonden waarin de sporen worden gevormd. Dat wekte de indruk dat de mammoeten mest aten. Wat voor mest? Mammoetmest!

Een simpele chemische analyse wist dat te bewijzen. Met zeeolifanten en klipdassen hebben olifant-achtigen gemeen dat ze geen galzuren produceren en in de Yukagir-darminhoud werden geen sporen van galzuren gevonden. Vreemde mest zou die zeker hebben achtergelaten.

Van hedendaagse olifanten is coprofagie (het eten van poep) goed beschreven. Dick Mol kent het uit eigen waarneming van een bezoek aan Zuid-Afrika. De uitwerpselen voorzien waarschijnlijk in een vitaminebehoefte en leveren bacteriën die voor de vertering nuttig zijn. Bas van Geel en collega’s publiceerden in 2008 in Quarternary Research. Conclusie: zo verwant zijn mammoeten aan olifanten.

Meer mest

Daarna kwam er meer mest hun kant op. De Amerikaan R. Dale Guthrie had in Alaska een complete mammoetdrol van 14.500 jaar oud gevonden en Van Geel mocht de helft hebben. Publicatie in Quaternary Science Reviews (2011): coprofagie, ook in Alaska.

En dan, het ontroerendst, de darminhoud van het jonge mammoetkalfje Lyuba dat in 2007 door herders werd gevonden. Ze is inmiddels een beroemdheid omdat ze zo gaaf en klein is, nog geen 85 cm hoog. Waarschijnlijk heeft ze maar zes weken geleefd (41.800 jaar geleden). Over haar vroege dood is weinig bekend.

Hier zijn de aanwijzingen voor coprofagie extra sterk, want Lyuba had geen volgroeide kiezen waarmee effectief te kauwen was. Ze werd nog gezoogd, zoals de sporen verzeepte melk in haar darm aantonen. Ze kon niet kauwen – en toch werden kapot gekauwde plantenresten aangetroffen in haar darm. En weer die vruchtlichamen van Sporormiella en juist niet de galzuren. Het patroon staat nu wel vast. Zeer waarschijnlijk at Lyuba de verse mest van haar moeder, want dat doen olifantenbaby’s ook. Ze kon die drollen met haar slurf opnemen, maar ook, knielend, met haar bek beetpakken. De kans dat bij die laatste methode wat van de omringende vegetatie meegaat, is groot. Dat kan verklaren hoe ongeschonden mossen in Lyuba’s darm terechtkwamen. Het is eind vorig jaar beschreven in Quaternary Science Reviews.

    • Karel Knip