De kinderlevens die moesten verdwijnen

Elsbeth Etty neemt wekelijks de stapel binnengekomen boeken door, signaleert en geeft een eerste oordeel. Deze week In Memoriam, een Fries in Tuvalu en een ontroerende dissident.

Ruim 17.000 Joodse, Sinti en Roma kinderen zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog uit Nederland gedeporteerd en niet teruggekomen. Eén van de weinige jeugdige slachtoffers die een naam en een gezicht hadden was Anne Frank, maar dankzij intensief speurwerk van schrijver, dichter en journalist Guus Luijters hebben nu alle anoniem gestorven kinderen hun identiteit terug. In zijn aangrijpende In Memoriam. De gedeporteerde en vermoorde Joodse, Roma en Sinti kinderen 1942-1945 (Nieuw Amsterdam, 1.024 blz. € 99,95) leren we de overige Anne Franks van nabij kennen, omdat van ieder kind de naam, de geboortedatum en het adres zijn opgenomen, alsmede de sterfdatum en -plaats. Bovendien zijn van 3.000 weggevoerde jongens en meisjes foto’s achterhaald en afgebeeld. Een monument van onschatbare waarde en betekenis, zeker vanuit de wetenschap dat de nazi’s er alles aan gelegen was alle sporen van deze jonge levens uit te wissen, alsof ze er nooit zijn geweest. In Memoriam verschijnt 9 februari, met een gelijknamige tentoonstelling in Het Amsterdams Stadsarchief.

In de week dat in Egypte tientallen doden vielen na een voetbalwedstrijd, wat daar ook de achtergrond van moge zijn, verscheen een ronduit vertederend boek over het voetbal in Tuvalu, een ministaatje in de Grote Oceaan met elfduizend inwoners. Het is niet alles geweld en geld waar het in de voetbalwereld om draait. Koen van Santvoord maakte een minutieus verslag van de missie van een gelouterde Nederlandse coach die het nationale elftal van Tuvalu klaarstoomde voor de Pacific Games: Foppe de Haan. Bondscoach voor 4 weken (Prometheus, 245 blz. €15). ‘Mister Foop’ en zijn assistenten namen hun opdracht uiterst serieus en De Haan leerde zelf ook nog bij: „Ik wist niet van mezelf dat ik zo slecht kon omgaan met een grote nederlaag als die 8-0 tegen Nieuw-Caledonië.” Wat Tuvalu nu nog nodig heeft, is een fatsoenlijk voetbalveld.

Onder de titel Ik heb geen vijanden, ik ken geen haat (De Geus, 412 blz. €19,95) zijn diverse teksten gebundeld van de Chinese letterkundige en mensenrechtenactivist Liu Xiaobo, die in 2009 werd veroordeeld tot elf jaar gevangenis en het jaar erna in absentie de Nobelprijs voor de Vrede kreeg. De teksten zijn in deze samenstelling niet in het Chinees maar in het Duits verschenen, maar wel uit het Chinees vertaald (door Machteld van Dijke, Daan Bronkhorst, Willem van Leeuwen, C. Mero, Jane Sun en Trevira Winterbottom) in Nederlands van wisselende kwaliteit. Behalve beschouwingen over politieke onderdrukking en de Chinese cultuur bevat de bundel gedichten, die mij vooral ontroeren door de wetenschap dat de dichter achter de tralies zit. Een terugkerend thema in de prozateksten is het Chinese nationalisme, volgens Liu Xiaobo een „vicieuze cirkel van zelfmedelijden en zelfoverschatting”. Hoe kan China zich ontworstelen aan de dictatuur? Men moet weigeren te liegen. „In het publieke leven de leugen weigeren, is dé manier om de grootste steunpilaar van de tirannie te ondergraven.” Deze houding maakt diepe indruk.

Een tegenovergesteld gevoel bekruipt me bij het kitscherige portret dat journaliste Corine Koole schetst van een veertigjarige Amsterdamse raamprostituee die niets dan vreugde beleeft aan haar lucratieve beroep (gemiddelde dagomzet 500 euro) Pascale (Prometheus, 141 blz. €15) heeft veel weg van reclame voor Pascales nering. Tot drie keer toe wordt het werkadres vermeld, de prijsopgave ontbreekt evenmin als de aanbeveling van de „onbedorven lach” en de herhaalde uitnodiging om ’s zondagsmiddags naar haar te komen kijken. Curieus zijn de voorbereidingen die Pascale treft voor ze haar klanten ontvangt. „Na het douchen drinkt ze espresso met een klysma in haar anus om te voorkomen dat haar gebleekte tanden verkleuren.” Huh, gebleekte tanden in haar anus? Ik ga maar niet kijken zondagmiddag.

Dan liever schaatsen. Om alvast in de stemming te komen heb ik In Verborgen Camera verzamelde gedichten van de 82-jarige Martien J.G. de Jong (Aspekt, 217 blz. €18) gezocht naar een knisperend winters gedicht. ‘Escher’, naar een beroemde prent van deze kunstenaar in het Arnhemse Gemeente Museum, komt het dichtst in de buurt: „De vissen vullen het vlak/ als water een vijver/ onder scherp winterlicht/ vogelvrij verklaarde vogels/ bevriezen tot lijnen/ onder ijs als glas/ groeit godweet een lelie”. In dit verzameld werk zijn nooit eerder gepubliceerde gedichten opgenomen en zelfs twee geheel nieuwe bundels: Lego en Deemster op de uiterwaarde.