Compassie is een goed CDA-thema

Schamperheid over de ‘compassie’ van het CDA is niet terecht.

Maar mededogen zonder hulp oogst weinig waardering, zegt Marcel ten Hooven. Het CDA kan wat leren van de sociaal-democraten.

De naoorlogse geschiedenis van regeringssamenwerking tussen CDA en PvdA is een verhaal van zuchten en steunen, met als treurige apotheose de onmin waarin het kabinet-Balkenende IV vroegtijdig aan zijn einde kwam. Dat kabinet sneuvelde vooral door kleingeestig leiderschap van zowel Jan Peter Balkenende als Wouter Bos. Als het erop aankwam, gedroegen zij zich in het kabinet eerder als partijman dan als dienaar van het landsbelang, waardoor partijpolitieke rivaliteiten het beraad binnenslopen.

Op een dieper niveau zitten sociaal- en christen-democraten elkaar in de weg doordat in hun ideologie meer dan in het liberalisme een ordenende rol voor de politiek is weggelegd. Hun samenwerking is zwaarder belast door scherpslijperij over en weer dan coalities met liberalen.

Daar komt bij dat VVD’ers het aardse bestaan doorgaans wat luchthartiger ondergaan en tot meer zelfrelativering in staat zijn. Ongetwijfeld is de moeizame verhouding tussen CDA en PvdA mede debet aan het gebrek aan ontvankelijkheid voor elkaars gedachtegoed. Ze lijden onder de reflex dat wat de ander doet nooit goed kan zijn. Wellicht staat er daardoor weinig licht op processen van toenadering en verwijdering die zich tussen de drie politieke hoofdstromen voltrekken, vooral als het gaat om het denken over vrijheid.

In recente geschriften over deze basale menselijke waarde komen christen- en sociaal-democraten nader tot elkaar en verwijderen de liberalen zich van hen. Teruggebracht tot de kern, vinden PvdA en CDA elkaar in de overtuiging dat politieke partijen een morele boodschap mogen uitspreken over hoe mensen hun vrijheid aanwenden. Niet alleen dát je kiest is van belang, ook wát je kiest.

Die opvatting is de rode draad in zowel de discussienota Nieuwe woorden, nieuwe beelden van het CDA als het PvdA-project Van Waarde. In de CDA-nota doen de christen-democraten voor het eerst een poging de onderliggende waarde van hun beginselen in één woord te vatten. Dat woord is ‘compassie’, oftewel „de bereidheid je te laten raken door het lot van een ander”.

Die bereidheid tot empathie maakt van de christen-democratische beginselen solidariteit, gespreide verantwoordelijkheid, publieke gerechtigheid en rentmeesterschap een plicht tot mededogen, óók met mensen die we niet kennen. „Compassie is de ziel, het kloppend hart” van het CDA, zo heet het.

Critici, ook in eigen kring, reageerden schamper op het woord, omdat het in hun ogen een beeld van het CDA als een club van zielige mensen oproept. Ze vroegen zich af of het soms verboden is „sterk” te zijn. Die kritiek is niet terecht, leert een blik op de ethische traditie waarin het woord staat. Daarin behelst compassie een oproep anderen te behandelen zoals jij zelf behandeld wilt worden: met waardigheid, billijkheid en respect. Dat vergt wat van je.

„Compassie is niet voor watjes”, constateert de ethicus Frits de Lange met het oog op dat idee van wederkerigheid. Dat is niet louter iets christelijks. In de Bijbel verwoord in het verhaal van de barmhartige Samaritaan, keert inlevingsvermogen in het lot van anderen in alle grote religies en wereldbeschouwingen terug in de gulden leefregel: „Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.”

Deze regel doet een beroep op mensen zich in hun gedrag ervan te vergewissen of zij anderen niet schaden. In compassie is daarmee ook kritiek besloten op de liberale zienswijze op vrijheid. In het beeld van het autonome individu dat aan zichzelf genoeg heeft, houdt vrijheid de afwezigheid van dwang en beperkingen in. Dat was een grote emancipatoire kracht toen het leven van de meeste mensen nog onder de tucht van de pastor en de dominee, de partij of de baas stond.

Met de individualisering verloor dat autoritair gezag zijn status en werd het maatschappelijk verkeer meer en meer afhankelijk van de zelfdiscipline van het individu. De socioloog Norbert Elias typeert die wending als een overgang van Fremdzwang naar Selbstzwang. Met die overgang werd de bereidheid je in te leven in het lot van anderen en je gedrag mede daarop af te stemmen ook een noodzakelijke voorwaarde voor een fatsoenlijk bestaan voor iedereen.

Deze analyse doet nu ook in de PvdA opgeld. Hoe weldadig ook voor het individu, de bevrijding van dwang en paternalisme heeft wel bewerkstelligd dat de vraag waartoe we vrij willen zijn niet meer wordt gesteld. Monika Sie, directeur van de Wiardi Beckman Stichting, schrijft dat in een van haar beschouwingen over het project Van Waarde, waarmee de sociaal-democraten zichzelf ideologisch willen herpositioneren.

Sie constateert daarin dat een „onevenwichtige en onverwerkte” modernisering een vorm van mentale bestaansonzekerheid in de hand werkt. Het ontbreekt burgers aan zekerheid of dat wat ze verworven hebben wel zijn waarde behoudt, materieel maar ook mentaal. Allerlei onderscheidingen die behulpzaam waren in dagelijkse beslissingen zijn in hun betekenis vervaagd, zoals het verschil tussen redelijk en onzinnig, vertrouwenswaardig en verraderlijk, fatsoenlijk en onfatsoenlijk.

„Politieke partijen moeten daarom normatieve vergezichten ontwikkelen”, concludeert zij. „Een minimum aan bestaanszekerheid is een voorwaarde voor vrijheid, om iets van je leven te maken. Het is een onvolkomen gevoel dat je daar niet aan toekomt.”

De parallellie met de CDA-redeneringen springt in het oog. Toch zullen sociaal-democraten aan christen-democraten de kritische vraag voorhouden of het verhaal over compassie geen schaamlap is voor asociaal beleid. Met een dergelijk ethisch beroep op mensen kan de politiek zichzelf een alibi verschaffen om de overheid uit de sociale zorg terug te trekken. Maar is het van burgers niet te veel gevraagd zich in te leven in mensen die hun volkomen vreemd zijn of die zij zelfs als vijand beschouwen? Een beroep op compassie overvraagt mensen. Zij zijn geen heiligen. Voor compassie zonder aanziens des persoons is volgens sociaal-democraten daarom een instelling als de overheid, gebonden aan dwingende en objectiverende rechtsregels, onmisbaar.

Het CDA vormt bovendien een coalitie met liberalen die zich steeds verder verwijderen van het sociaal liberalisme dat hun gedachtegoed zo lang domineerde. In die benadering had de overheid een rol in de ontplooiing van burgers: zij biedt de mensen middelen tot emancipatie, om hen zo op eigen benen te laten staan. De naoorlogse politiek om de overheid verantwoordelijkheid te geven op het terrein van cultuur, onderwijs en sociale zekerheid was dan ook evenzeer een liberaal project. De VVD neemt daar steeds meer afstand van. In de plaats van het sociaal liberalisme is er nu een antiretoriek over de overheid die geen „geluksmachine” mag zijn.

In de vorm van compassionate conservatism, conservatisme met compassie, is in de VS de asociale gedaante zichtbaar van een politiek die een beroep doet op compassie. In Trouw haalt Frits de Lange Michael Gerson aan, een naaste medewerker van George W. Bush: „Conservatisme met compassie is de theorie dat de overheid de aanwezigheid van sociale diensten aanmoedigt, zonder ze zelf te leveren.” De Lange zag de Nederlandse variant van deze opvatting terug in de woorden van een ouderling die een bedelaar bij de kerkpoort toevoegde: „Wat jij nodig hebt, dat is een schop onder je kont.”

De Nederlandse politiek is lang niet zo extreem als het conservatisme met compassie. Dat neemt niet weg dat het CDA medeverantwoordelijk is voor het kabinetsbeleid om de overheid ver uit de sociale zorg terug te trekken. In dat beleid houdt de compassie met vreemdelingen op zodra zij volgens de bureaucratische logica tot ‘kansarme’ migranten kunnen worden gerekend. En in dit beleid betekent compassie met mensen in de bijstand dat de overheid hen kan dwingen op elk moment van hot naar her te verhuizen voor een slecht betaald baantje, op straffe van intrekking van de uitkering.

In dit licht zou het zo gek nog niet zijn als CDA en PvdA de last van het verleden van zich af zouden schudden en wat meer ontvankelijkheid voor elkaars gedachtegoed zouden opbrengen. Dat kan tot wederzijds voordeel strekken.

Marcel ten Hooven is freelancejournalist. Zijn jongste boek is U bevindt zich hier. Oriëntaties op maatschappij, politiek en religie.