Collecties in de knel

Vinvisskelet Doortje vindt na alle aandacht wel onderdak. Maar wat te doen met andere wegbezuinigde stukken uit musea, vraagt Kobus Boeke.

‘Doortje zoekt een huis!”, zo konden we onlangs vernemen via diverse media. Het skelet van een vinvis ligt, zowel letterlijk als figuurlijk, op de tocht in een fietsenkelder in Haren (Groningen) en moet hoognodig een nieuw onderkomen hebben. Om dat te bewerkstelligen, heeft ze een Facebookpagina gekregen van de Groninger Universiteitskrant die haar ‘ontdekt’ heeft. Ze schrijft haiku’s en heeft al een aardige schare fans of likers gekregen. Ook melden zich partijen die zich wel over dit imposante object willen ontfermen. Sinds het skelet een naam kreeg, lijkt het meteen ook maar een eigen, ludieke leven te zijn gaan leiden.

Heel grappig allemaal, maar het gaat voorbij aan het werkelijke probleem van een groot deel van de (natuurhistorische) museumcollecties in Nederland. Naast Doortje bestaat er namelijk ook een Arie de gestippelde dieseltreinworm op sterk water en Betsie het kievitsei dat eind 18de eeuw is uitgeblazen. Beiden zijn kleiner, minder tot de verbeelding sprekend en dus minder interessant voor de media, maar hun problemen zijn er niet minder om. Veel museumcollecties in Nederland zitten in de knel, de duimschroeven lijken steeds strakker te worden aangedraaid en zeker niet alleen in Groningen.

In musea wordt keihard gewerkt door vrijwilligers en vaste krachten om collecties in stand en toegankelijk te houden. Instanties als het Instituut Collectie Nederland helpen daarbij door leidraden voor beheer en behoud op te stellen om zodoende langdurige instandhouding van collecties te bevorderen. Overheid en andere bestuurders tonen hun dankbaarheid door te korten op budgetten. Dit leidt tot een gigantische werkdruk op een afnemend personeelsbestand en zodra de kwaliteit van het werk daardoor afneemt, zal dat meteen een mooi excuus zijn om de tent maar helemaal te sluiten.

Hoe kunnen musea zich hiertegen verweren? Als schoonmakers ontevreden zijn met hun arbeidsomstandigheden of beloning en het werk neerleggen, zullen de maatschappelijke consequenties daarvan bestuurders er snel toe aanzetten te luisteren naar de problemen of de roep om aandacht op zijn minst op te merken. Musea kunnen zo’n vuist niet maken. Wanneer een museum de deuren tijdelijk (of zelfs permanent) sluit, maalt niemand daar om. Hoogstens zal de buurt middels een handtekeningenactie kortstondig haar ongenoegen laten blijken en zal een enkele toerist gedwongen zijn een andere dagbesteding te verzinnen.

Tegenwoordig moet vrijwel alles zijn economische waarde bewijzen om überhaupt als waardevol erkend te worden: natuur moet geld in het laatje brengen of zichzelf op z’n minst kunnen bedruipen, beeldende kunst wordt meer gezien als belegging dan dat het gewaardeerd wordt om schoonheid of een andere intrinsieke waarde. Is er misschien eenvoudigweg geen plaats meer voor geschiedenis en bijbehorende collecties in deze tijd en moeten we al die oude troep maar weggeven of anderszins afstoten?

„Alles van waarde is weerloos”, sprak Lucebert en het is hoog tijd dat het weerloze beter wordt beschermd tegen de kille economische noodzaak. Het is vanzelfsprekend onmogelijk dat alles bewaard blijft, maar meer liefde of tenminste aandacht voor museumcollecties is broodnodig. Als de plotselinge interesse, die het walvisskelet opwekt sinds het een guitig naametiket opgeplakt gekregen heeft, dat zou kunnen teweegbrengen, dan is Doortjes lange reis niet voor niets geweest.

Kobus Boeke is registrator bij het Universiteitsmuseum Groningen.

    • Kobus Boeke