Clash

In Birma wisselen bij Ivo Weyel respect en walging elkaar af.

Reizen noopt tot nadenken. In aanraking komen met andere culturen, levensomstandigheden en godsdiensten doet de blik verruimen. Andermans armoede relativeert de eigen rijkdom. Soms leidt zo’n confrontatie tot nogal overdreven reacties. Zoals bij ene Ludovico Varthema in de zestiende eeuw, toen deze reislustige Italiaan voor het eerst de hadj meemaakte in Mekka en daar niet alleen pelgrims zag, maar zowaar een hele kudde eenhoorns ontwaarde die rond de Zwarte Steen galoppeerde. Hij was blijkbaar zo onder de indruk dat hij spoken zag.

Talloos zijn de westerlingen die na het zien van een oosterse cultuur zijn geswitcht van levenswandel, het juk van ambitie en overvloed hebben afgeworpen en zich hebben bekeerd tot welke mysterieuze levenswandel of religie dan ook. Toegegeven, de cultuurclash kan bij reizigers ook irritatie opwekken. Waarom laten islamieten bijvoorbeeld niet gewoon elke ochtend om vijf uur in de privacy van de eigen slaapkamer hun wekkertje afgaan in plaats van de hele Club Med voor dag en dauw wakker te blazen met de oproep tot het ochtendgebed? Aan het einde van de negentiende eeuw voorspelde Thomas Cook – die toen als eerste reisorganisator in het westen pelgrimsreizen naar Mekka organiseerde – dat zijn reizen tot „heftige reacties, vooroordelen en moeilijkheden” zouden kunnen leiden. Maar hij hoopte tevens op verbroedering en wederzijds begrip.

Mijn laatste ervaring in deze, vorige week in Birma, was er ook een van tegenstellingen. Respect en walging wisselden elkaar af. Zien hoe monniken daar blootsvoets in alle stilte’s morgens om half zes de straat op gaan om hun eten bij elkaar te bedelen, om vervolgens de hele dag in gebed en overpeinzing door te brengen tot ze op een simpele houten brits maar een paar uurtjes de slaap vatten, is meer dan indrukwekkend. (Temeer daar ik net daarvoor in het hotel stennis had gemaakt omdat mijn ontbijteitje iets te snotterig was.) Te midden van alle gewijde en simpele eenvoud van de talloze boeddhistische kloosters aldaar, was het des te opmerkelijker in de vervallen hoofdstad plotsklaps een werkelijk oogverblindend stadspaleis te ontwaren, tot in de puntjes gerestaureerd, met pilaren en bloeiende tuinen en fonteinen en glimmende hoge hekken daaromheen. Daar bleek een oude man te wonen. In zijn eentje. Met een stoet personeel van heb ik jou daar. Een schatrijk man overduidelijk in een straatarm land. Ik vroeg een voorbijganger wie hij was.

Het bleek de aartsbisschop.

Niet zo nederig, die katholieken.

    • Ivo Weyel