Bonus binnen voor handelaren in beursclichés

Wetenschappers en effectenhandelaren houden zich al decennia bezig met het ‘januari-effect’. Het fenomeen heeft zich de laatste weken wederom voorgedaan.

Het ruikt als een anticlimax: 1 procent koersrendement in de maand januari. Was dat het nu? Eind vorig jaar verkneukelden beleggers zich op internetfora over het aanstormende januari-effect, een fenomeen in beurskringen dat wetenschappers en handelaren al decennia bezig houdt. Bron van inspiratie: in de eerste maand van het jaar zouden de koersrendementen op aandelen bovengemiddeld groot zijn. Vooral speculanten die van handelsspelletjes houden, gingen weer handenwrijvend het nieuwe jaar in.

En ze kregen wederom gelijk. Ook de op het eerste gezicht matige prestatie van het Damrak schraagt de januari-theorie. De AEX-index steeg 1,01 procent. Dat is 12,8 procent op jaarbasis. Dat koersrendement halen aandelen historisch gezien niet, dus ook afgelopen maand was weer een bijzonder positieve uitschieter.

De afwijkende rendementen werden voor het eerst ontdekt door de Amerikaanse zakenbankier Sidney Wachtel. Sindsdien hebben alle bespiegelingen over uitzonderlijke koerswinsten stevig aftrek gevonden onder beurshandelaren en bankadviseurs. Dat zijn de verhalen waar beleggers van houden.

Wetenschappers hebben geprobeerd om het fenomeen te verklaren. Meest gehoord zijn de belastingtechnische motieven. In de Verenigde Staten kan je beleggingsverliezen aftrekken zolang ze gerealiseerd zijn. Dat stimuleert het verkopen van aandelen in december – ook als je die stukken niet kwijt wil. Daarom zou er in januari bovengemiddeld worden (terug)gekocht. Dat stuwt de koersen bovengemiddeld op.

Window dressing speelt ook een rol. Professionele beleggers maken aan het eind van het jaar de balans op. Dan heb je de brekebenen liever niet in je beleggingsportefeuille, de bedrijven die zwaar gedaald zijn, ook al kan een aandeel aantrekkelijk zijn op zo’n laag koersniveau.

In de Verenigde Staten deden de markten het afgelopen maand ook weer bovengemiddeld. De Dow Jones-index boekte 3,4 procent koerswinst. De S&P 500 ging 4,4 procent vooruit. Als januari geen uitzonderlijke maand zou zijn, kunnen belegger bij de laatste graadmeter dit jaar rekenen op een rendement – los van dividend – van 67 procent.

Maar het januari-effect is een eigen leven gaan leiden. Allereerst werd het verschijnsel vooral waargenomen bij kleinere bedrijven, niet voor de gehele markt. Ten tweede zijn de financiële markten de afgelopen decennia veel sneller en efficiënter geworden. Als je in januari extra kunt verdienen, zal de rationele belegger daar toch op gaan speculeren?

Recentere data duiden inderdaad op een verdwijnend effect. Een studie uit 2007 van Imad Moosa wijst erop dat er over de periode 1971 tot 2005 duidelijk een bovengemiddeld rendement wordt behaald. Tussen 1990 en 2005 is dat effect aanmerkelijk afgezwakt en bovendien statistisch niet meer significant.

Integratie en vervlechting van financiële markten is ook de verklaring waarom het verschijnsel wereldwijd waargenomen wordt, terwijl het belastingvoordeel alleen in de Verenigde Staten genoten kan worden. Veel anomalieën zijn inmiddels statistisch doorgeprikt of verdwenen met als verklaring dat financiële markten efficiënter opereren en een betere prijsvorming hebben.

Maar op één punt blijft het januari-effect hardnekkig. Voor grote ondernemingen is het verschijnsel niet meer waar te nemen, bij kleinere beursgenoteerde bedrijven is het effect daarentegen wel degelijk nog steeds traceerbaar.

De economen Fama en French toonden eerder al aan dat kleine bedrijven het onverklaarbaar beter doen op de beurs. Dat geldt ook voor de maand januari. Beter gezegd, juíst voor de maand januari.

Aandelen die minder goed verhandelbaar zijn, zullen in hun koersen sneller afwijkingen laten zien. Minder courante aandelen dragen zo meer risico, maar gemiddeld ook meer rendement.

Geen betere illustratie dan de laatste weken in het middensegment van de beurs. De Midkap-index van 25 middelgrote ondernemingen steeg 8,7 procent – ruim het driedubbele wat een bezitter van een Nederlandse staatslening in een jaar realiseert. Wil er dit jaar geen positief januari-effect plaatsvinden, dan zal de index de rest van dit jaar 165 procent moeten stijgen.