Babel ligt in Australië

Taalkunde

In Australië hebben talen zich 50.000 jaar kunnen ontwikkelen in kleine groepen mensen. Talen zijn er heel complex, vertelt taalkundige Nicholas Evans. Maar waarom?

“Als andere mensachtigen ook een vorm van taal gehad hebben, dan zou dat van invloed geweest kunnen zijn op de taal van Homo sapiens in Nieuw-Guinea.” Op een congres in Nijmegen lanceerde taalkundige Nicholas Evans deze ‘gewaagde’ hypothese. Foto Flip Franssen

‘Iedere taal is de uitkomst van een natuurlijk experiment”, zegt Nicholas Evans. “En de omstandigheden waaronder de talen die we nu kennen ontstaan zijn en zich hebben ontwikkeld, zijn bekend. De mens heeft gedurende 99 procent van zijn geschiedenis in kleine groepen van jager-verzamelaars geleefd.”

Wie iets van taal wil begrijpen, zal dus vooral moeten kijken naar de talen van de jager-verzamelaars die er nu nog zijn. Daarom zijn juist de Australische talen – van de aboriginals – zo interessant, vindt Evans. Hij is specialist op het gebied van deze Australische talen. Hij was in Nijmegen om drie dagen lang lezingen te geven over linguïstische diversiteit, en daar met vakgenoten over te discussiëren.

De Australische talen zijn uniek, vertelt Evans. “Australië is het enige continent waar, voor de komst van de Europeanen, nooit sprake is geweest van een staat of een groot rijk. Ook was er nauwelijks landbouw.” Voordat de Europeanen het continent koloniseerden, werden er ongeveer 250 verschillende talen gesproken door een bevolking van – de schattingen lopen uiteen – 250.000 tot 750.000 mensen. Elk van die talen werd maar door een paar honderd tot een paar duizend mensen gesproken.

Evans beschrijft in zijn boek Dying Words hoe je in Arnhem Land, een dunbevolkte streek in het noorden van Australië, nog steeds in een paar uur tijd zeven verschillende taalgebieden kunt doorkruisen. In Arnhem Land wonen vooral aboriginals. Mensen die dertig kilometer van elkaar wonen spreken totaal verschillende talen.

Paspoort

Dat lijkt onhandig. Maar de aboriginals zelf vinden het juist erg handig. “Voor hen is taal een soort paspoort. Iedere groep heeft zijn eigen territorium en daarbij hoort een eigen taal. Aan de taal kun je horen waar de ander thuishoort. Dat houdt de boel overzichtelijk. Taalverschillen worden daarom gecultiveerd in Arnhem Land en vergelijkbare gebieden elders in de wereld, zoals op Nieuw-Guinea. Er zijn voorbeelden bekend van kleine groepjes die zich van een grotere groep afsplitsten en hun dialect daarna bewust zo veranderden dat het een aparte taal werd.”

De situatie in Arnhem Land lijkt daarmee op de situatie die niet eens zo heel lang geleden overal op aarde bestond. Demografen schatten dat er tienduizend jaar geleden ongeveer 10 miljoen mensen waren. Bij wat er nu nog over is aan jager-verzamelaars-culturen (Australië, Nieuw-Guinea, de Amazone) zien we een paar honderd tot een paar duizend sprekers per taal. Het aantal talen dat tienduizend jaar geleden gesproken werd, wordt daarom geschat op ergens tussen 3.000 en 10.000 – ongeveer evenveel als tegenwoordig.

Hoe zagen en zien die kleine talen eruit? Evans: “Kleine talen zijn vaak complexer. Ze hebben vaak veel vervoegingen en verbuigingen, veel uitgangen, en ook veel onregelmatigheden in de grammatica. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat er binnen een kleine, hechte gemeenschap veel meer gedeelde kennis is. Men heeft daar genoeg aan een half woord. Veel informatie hoeft niet heel expliciet verwoord te worden. Het kan in een compactere vorm worden gegoten, en zo ontstaan dan al die uitgangen, verbuigingen en vervoegingen.”

Talen krijgen de grammatica die ze verdienen, denkt Evans. Hij citeert in dit verband graag de Amerikaanse taalkundige John Du Bois: ‘Grammars code best what people do most.’ Dingen die je vaak doet en dingen die je vaak zegt, giet je het liefst in een compacte structuur.

Een voorbeeld daarvan gaf Evans tijdens zijn lezingen. Het is in veel talen niet ‘Ik kuste haar en zij kuste mij’, maar ‘Wij kusten elkaar’. Dat is een verschuiving van expliciet (in woorden) naar compact: een grammaticale constructie met het wederkerige voornaamwoord ‘elkaar’. Veel talen hebben speciale grammaticale constructies voor wederkerigheid, wat niet hoeft te verbazen: wederkerigheid is een centraal element van de menselijke cultuur. Evans: “De verhouding tussen wat expliciet gezegd moet worden, en wat compacter gezegd kan worden, is in een kleine samenleving met alleen face-to-face contact anders dan in een grote samenleving waarin veel met geschreven teksten gecommuniceerd wordt.”

Maar er is nog een andere mogelijke verklaring voor de complexiteit van kleine talen. In een kleine gemeenschap zijn bijna alle sprekers moedertaalsprekers van die taal. En als je die taal van jongs af aan leert, kun je dingen onder de knie krijgen die onhaalbaar zijn voor iemand die de taal pas op latere leeftijd leert. Zo zie je bij mensen die het Nederlands pas op latere leeftijd geleerd hebben, dat ze altijd fouten blijven maken met ‘de’ en ‘het’. Als een taalgemeenschap groot is, is er een voortdurende instroom van niet-moedertaal-sprekers, en dat heeft op den duur gevolgen voor de grammatica. Dat zou dus ook kunnen verklaren waarom grote talen meestal regelmatiger zijn en minder complex.

“Eerlijk gezegd ben ik niet zo overtuigd van die theorie”, zegt Evans, “Het punt is namelijk dat vrijwel alle kleine taalgemeenschappen meertalig zijn. In kleine taalgemeenschappen, zoals jager-verzamelaars-groepen, wordt in de regel buiten de groep getrouwd. De huwelijkspartner spreekt vaak van huis uit een andere taal. De kinderen groeien dan tweetalig op. Dat trouwen met iemand uit de naburige groep is een gewoonte, die zich meestal van generatie op generatie herhaalt.” Zo ontstaat er een situatie waarin uiteindelijk iedereen als kind met twee talen opgroeit: die van de vader en die van de moeder.

Evans: “In Arnhem Land zie je dat die tweetalige families veel reizen, ze brengen een deel van de tijd door in het ene territorium en een deel van de tijd in het andere. Bovendien is het daar heel gebruikelijk om gesprekken in meerdere talen tegelijk te voeren: je vraagt iets in de ene taal, en de ander geeft antwoord in een andere taal. Zo wordt iedereen voortdurend aan meerdere talen blootgesteld.”

Als mensen meerdere talen spreken, beïnvloeden die talen elkaar. Daar kunnen nieuwe dialecten, en op den duur ook nieuwe talen uit ontstaan – waarmee de linguïstische diversiteit dus verder toeneemt. Evans vermoedt dat dergelijke veranderingen zich heel snel kunnen voltrekken, zeker als ze zich voordoen binnen groepen die niet groter zijn dan een paar honderd mensen.

“Het proces van verandering is bij kleine talen in ieder geval anders dan bij talen die miljoenen sprekers hebben”, zegt hij voorzichtig. “Maar hoe precies? Het lijkt erop dat die kleine talen op heel verschillende manieren kunnen veranderen. Als je bijvoorbeeld Australië en Nieuw-Guinea met elkaar vergelijkt, zie je dat die twee gebieden zich op taalkundig gebied heel anders ontwikkeld hebben. Terwijl ze een vergelijkbare geschiedenis hebben.”

Sahul

Australië en Nieuw-Guinea vormden, in de periode van 60.000 tot 10.000 jaar geleden, toen het water van de zee soms wel 130 meter lager stond dan nu, één groot continent: Sahul. De oudste resten van bewoning van dit continent zijn van 57.000 jaar geleden.

Evans: “De bewoning van die twee gebieden heeft dus dezelfde deep-time history. Bovendien werden beide gebieden tot niet lang geleden uitsluitend bewoond door kleine gemeenschappen. Maar kijk je naar de talen, dan is de situatie onvergelijkbaar. In Nieuw-Guinea is de linguïstische diversiteit enorm, volgens sommigen groter dan waar dan ook op aarde. Het eiland herbergt heel veel talen: duizend. En de verschillen tussen die talen zijn enorm. De taalkundigen kunnen er met geen mogelijkheid één taalfamilie van maken.”

In Australië daarentegen lijken al die 250 talen, hoe verschillend ook, uiteindelijk tot één oeroude taalfamilie te behoren. In Australië is de verandering langzamer gegaan dan we in bijvoorbeeld Europa gewend zijn, en in Nieuw-Guinea juist veel sneller. Maar waarom? Dat weten we niet. Er zijn gebieden in Nieuw-Guinea waar de woordenschat heel snel verandert, terwijl de grammatica gelijk blijft. Woorden worden bijvoorbeeld telkens vervangen vanwege taboes en daarmee samenhangende gebruiken. En ook omdat de ene groep zich nadrukkelijk van de andere groep wil onderscheiden.” Het omgekeerde komt ook voor: dat de woordenschat ongeveer gelijk blijft, maar dat de grammatica van een taal radicaal verandert.

Dat de linguïstische diversiteit van Nieuw-Guinea veel groter is dan die van Australië, noemt Evans ‘een groot raadsel’. “Ook in vergelijking met Afrika. Aangezien Homo sapiens uit Afrika komt, zou je in Afrika de grootste diversiteit verwachten, simpelweg omdat taal daar de langste geschiedenis heeft. Maar de diversiteit in Nieuw-Guinea is veel groter.

Bergachtig

Daar zijn allerlei verklaringen voor bedacht. Het landschap bijvoorbeeld. Nieuw-Guinea is heel bergachtig. De mensen zouden heel ver van elkaar wonen. Dat soort dingen. Maar ik geloof daar niet zo in. Het probleem is bijvoorbeeld dat de linguïstische diversiteit juist heel groot is in een deel van Nieuw-Guinea dat een heel open landschap heeft.”

Evans lanceerde op de laatste dag in Nijmegen een gewaagde hypothese. Het is niet meer dan een gedachtenexperiment, zegt hij, ingegeven door het recente DNA-onderzoek dat heeft aangetoond dat Homo sapiens zich buiten Afrika gekruist heeft met Neanderthalers en Denisova-mensen.

“Taal is misschien ouder dan we denken. Mogelijk hadden Neanderthalers en Denisova-mensen ook iets wat op taal leek. Twee mensen van het Max Planck Instituut in Nijmegen hebben net een artikel geschreven waarin dat aannemelijk wordt gemaakt voor de Neanderthaler.

“Als we dan teruggaan in de tijd, zeg 150.000 jaar terug, dan zien we in Afrika alléén Homo sapiens. Maar buiten Afrika heeft Homo sapiens dus contact gehad met die andere mensachtigen. Ermee gecommuniceerd, er misschien wel mee gepraat. En er in ieder geval kinderen mee gehad.”

Dat de linguïstische diversiteit elders in Azië en ook in Europa, ondanks die contacten met Neanderthalers en Denisova-mensen, veel geringer is, laat zich volgens Evans gemakkelijk verklaren. In Europa hebben de Indo-Europese talen nog niet zo heel lang geleden bijna alle talen die er ooit waren verdrongen. En ook in Azië zijn veel kleine taalgemeenschappen weggevaagd door grootschalige volksverhuizingen en de opkomst (en ondergang) van allerlei grote en kleine rijken.

“Ook weten we sinds kort dat er in het DNA van de Papoea’s sporen zijn van het DNA van Denisova-mensen (en een ook heel klein beetje Neanderthaler).Het is niet veel, maar het is zeker niet verwaarloosbaar. Als die andere mensachtigen ook een vorm van taal gehad hebben, dan zou dat van invloed geweest kunnen zijn op de taal van Homo sapiens in die gebieden. Bovendien heeft de vermenging met andere mensachtigen geleid tot meer genetische diversiteit. En genen hebben ook weer invloed op hoe talen zich ontwikkelen. Ook dat zou die ongelofelijke talenrijkdom van Nieuw-Guinea voor een deel kunnen verklaren.”