Als ik een dier was zou ik de liefde van de mens wantrouwen De liefde van mensen voor dieren noopt tot argwaan

Mensen houden van dieren, in toenemende mate. Moet het dier blij zijn met deze aandacht, vraagt Frank Westerman zich af.

In this film image released by Disney, Jeremy Irvine is shown in a scene from "War Horse." Producers Kathleen Kennedy and Steven Spielberg were nominated for nominated Tuesday, Jan. 3, 2012, for the 23rd Annual Producers Guild Awards for the film "War Horse." The winners will be announced on Jan. 21. (AP Photo/Disney, Andrew Cooper) AP

Ooit op school deden we een project over agressie bij mens en dier. Maar wat was om te beginnen het verschil tussen die twee? Meneer Van de Beek, met zijn biologenbaard en bezige gebaren, daagde ons uit om eerst een scheidslijn te trekken. Links en rechts krabbelde hij op het bord:

MENS DIER

Om ons op gang te helpen, schreef hij ‘kent rede’ onder MENS en ‘redeloos’ onder DIER – dit was volgens hem het klassieke onderscheid.

„Wie?” Onze leraar boog zich naar ons toe als een marktkoopman.

Kleedt zich.

Kan spreken.

Handelt uit instinct.

Eet voedsel rauw.

Kent vuur.

Denkt na.

Heeft bewustzijn.

Gebruikt gereedschappen.

Is wreed

(kent geen medelijden).

Bezit moreel besef

(heeft kennis van goed/kwaad).

Zo’n soort lijst produceerden we. Toen er niets meer kwam, klopte Van de Beek het krijt van zijn handen en begon te vertellen over de ethologie, de gedragsleer van dieren, en het lopende primatenonderzoek in Burgers Dierenpark in Arnhem. De uitkomst: mensen hebben de neiging zich te verschansen achter de muurtjes van wat ze aanzien voor exclusief menselijke kenmerken (intelligentie, zelfbewustzijn, moreel besef), maar die muurtjes zijn één voor één door de biologie geslecht: ook apen denken na, tonen medeleven, herkennen zichzelf in spiegels, gebruiken gereedschappen (hengels, vuistbijlen) en doen als het uitkomt aan ruilhandel. Andersom vertonen mensen onbewust allerlei dierengedrag. Kippenvel, het klonk lachwekkend, bleek een functie te hebben: doordat de haartjes op je armen rechtop gingen staan, zag je er schrikwekkender uit – als een gorillamannetje dat zich breed maakt.

Was er wel een principiële grens?

Eens op Animal Planet hoorde ik de voice-over zeggen: „Wat mensen van dieren onderscheidt, is dat dieren geen kunst en geen religie kennen.” Zo! dacht ik. Is dat zo? „En ze doen niet aan genocide!”, was ik geneigd aan te vullen. Welk onderscheid je ook aanbrengt, het typisch menselijke van de mens blijft lastig te benoemen. Een hond kan ‘vals’ doen en een mens ‘beestachtig’, vinden wij – bezien vanuit het mensenstandpunt. En dit standpunt is ook nog eens aan het schuiven: we zijn in honderd jaar heel anders naar dieren gaan kijken. Op safari ging je tot voor kort met een geweer, in plaats van een camera. Met een vosje om je hals, zoals mijn oma die vroeger droeg, wek je vandaag de woede van soortgenoten. En in zijn documentaire Het goddelijke varken laat Hans Dortmans zien hoe de vaste klanten van een dorpslager een varken van de slachtbank proberen te redden.

De kwestie van het mens/dier-onderscheid kun je tegenwoordig ook zo aansnijden: Hoe lang duurt het nog eer we het doden van een chimpansee gelijk stellen aan moord?

Zelf hou ik ook van dieren, vooral paarden. Mijn zus vond het vroeger al „nergens op slaan” dat ik geen paardenrookvlees meer wilde eten, terwijl ik weigerde om – net als zij – vegetariër te worden. Het vleesnat van de kogelbiefstuk die we op zondagen aten, dronk ik gulzig van mijn bord. Ik geef het toe: het is ongerijmd. Misschien valt dierenliefde domweg niet rationeel te verklaren – maar des te fascinerender het fenomeen. Vooral in de uitzinnige verschijningsvorm die steeds meer mensen bevangt. Waarom neemt onze compassie met dieren (ijsbeer Knut, orka Morgan, pinguïn Happy Feet) de laatste tijd zulke groteske vormen aan? En wat zegt dat over onze soort?

Net als Volkert van der G., de dierenvriend die Pim Fortuyn vermoordde, heb ik aan de landbouwuniversiteit van Wageningen gestudeerd. Daar leerde je dat de mens zo’n veertigduizend jaar geleden zijn definitieve heerschappij over de andere dieren heeft gevestigd. Homo sapiens was uitsluitend nog jager, niet langer prooi. Nog weer later hield hij op met zwerven, begon akkers in te zaaien en sleurde andere soorten van hun evolutionaire pad door ze levend te vangen en in ‘huis’ te halen. Onder het vee nam het paard een aparte plaats in doordat hij werd beteugeld en bereden. De ene soort klom op de rug van de ander – als de verzinnebeelding van de nieuwe machtsverhouding.

Darwin schreef: Animals whom we have made our slaves, we do not like to consider our equals.

Anders dan zebra’s eten paarden uit je hand. Met riemen om hun borst en schouders plachten ze de aarde open te trekken, waardoor de oogst van het veld toenam. Ze sjouwden de meeropbrengst zelf naar de stad en onderhielden meer en meer transportlijnen. Menige beschaving was op vier hoeven van de grond getild, en als die beschavingen met elkaar in conflict raakten, dan kwam het erop aan: wie beschikte er op het slagveld over het snelste, sterkste en meest wendbare krijgsros?

De band was innig, maar in de eerste plaats praktisch. Tot voor kort. In minder dan honderd jaar is het ploegpaard vervangen door de tractor, het koetspaard door de auto, het cavaleriepaard door de tank. Toch groeit de paardenstapel als nooit tevoren; planologen spreken van de ‘verpaarding van het platteland’. Gezelschapsdieren hebben we van ze gemaakt, bij wie we warmte en genegenheid zoeken. We hebben animal cops en straks, als het aan Steven Spielberg ligt, een Oscar voor het best acterende dier.

Siert dit de mens?

Mijn dochter houdt op school een spreekbeurt over Black Beauty. Schrijfster Anna Sewell, zelf zielig want gehandicapt, laat haar meeleven met het hartverscheurende lot van een verwaarloosd en mishandeld paard. Het boek raakte bij verschijning in 1877 een pijnlijke snaar in het Verenigd Koninkrijk. Door te kiezen voor het vertelperspectief van het paard spreekt Black Beauty het menselijke inlevingsvermogen aan. Zo wordt de misstand invoelbaar van trekdieren die werden afgemat tot ze erbij neervielen, terwijl hun beulen doorgingen voor eerlijke, hardwerkende lieden. Sewell kuste het sluimerende besef wakker dat wreedheid jegens dieren niet pleitte voor het mensdom. Kort daarop, in 1886, werd het palingtrekken in Amsterdam als ‘wreed volksvermaak’ verboden. Er tekende zich een kentering af, waarbij een bizar voorval op 3 januari 1889 in Turijn vaak als kantelpunt wordt gekozen. De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche, toen al rijkelijk in de war, was die dag getuige van de afranseling van een koetspaard. In een opwelling zou hij het dier om de hals zijn gevlogen, waarna Nietzsche en paard verstrengeld ten val kwamen. Menige exegeet heeft dit gebaar geduid, zo ook de Tsjechische schrijver Milan Kundera. Volgens hem smeekte Nietzsche het paard om vergiffenis voor de tot dan toe heersende opvatting dat dieren geen ziel hebben.

Al dan niet sinds Nietzsches paardomhelzing hebben de dieren een gestage emancipatie doorgemaakt. In Port Elisabeth, Zuid-Afrika, werd in 1905 al een monument opgericht voor dierlijke slachtoffers van oorlogsgeweld. Het bestaat uit een bronzen sculptuur van een uitgeput paard met een omlaag neigend hoofd en smachtende lippen. Zijn sokkel is een drenkplaats met koperen kranen die elk een waterstraal uitgieten in een trog. Dit gedenkteken was er gekomen op initiatief van officiersvrouwen – ter ere van „alle paarden, ezels en muilezels” die tijdens de Tweede Boerenoorlog (1899-1902) de dood hadden gevonden, aan Britse zijde. Hun mannen (cavaleristen vooral) schaamden zich ervoor; ze verweten hun vrouwen „misplaatst sentiment” tentoon te spreiden. Paarden deelden nu eenmaal het lot van frontsoldaten: zij sneuvelden.

Maar hun romantische voorstelling van de ‘sportieve’ bereden veldslag ging spoedig aan flarden. Het dier bleek in de Eerste Wereldoorlog weerloos tegen mitrailleurvuur en gifgasgranaten. In de herfst van 1915 riep de Duitse krant St. Georg zijn lezers op het paardenleed aan het front te verzachten met Liebesgaben. Het blad zamelde dekens, bandages en lijnzaadkoeken in. Op één helse dag tijdens de slag om Verdun stierven zevenduizend paarden; de totale tol van 1914-1918 liep voor Equus caballus in de miljoenen. War Horse, en dat is Spielbergs verdienste, laat elke kijker huiveren om deze barbarij.

Aandacht voor het dierenlot is er gekomen, maar: selectieve aandacht. Over grootschalige, dagelijkse wantoestanden (kalveren met bloedarmoede, varkenstransporten kriskras door Europa) laait de publieke verontwaardiging nauwelijks op, net zo min als een consumentenboycot van overbeviste tonijn of makreel op veel bijval kan rekenen. In contrast hiermee is de hypergevoeligheid voor het lijden van vooral pluizige en aaibare dieren op hol geslagen. Een stille tocht voor een vergiftigde hond in Enschede. Een Partij voor de Dieren. Braakliggende bouwterreinen vanwege zeldzame knaagdieren. Voor elk verdwaald zeehondenjong (‘huilers’, zo hebben we die gedoopt) een reddingsteam. Een Tweede Kamermeerderheid voor een verbod op onverdoofd slachten. Als de omgang tussen mens en dier een graadmeter voor het beschavingspeil is, wat geeft het bestaan van cursussen varkensmassage dan aan? („Body-to-body contact met een varken: de workshop smeedt een ‘magische’ band tussen mens en dier”, recenseerde Trouw). We draven door.

Spielberg regisseerde Jaws in 1975 – over de mensen verslindende monsterhaai. „Een schepsel dat leeft om te doden”, waarschuwt de trailer. „Geen enkele menselijke voorstelling van het kwaad haalt het bij... Jaws.” Het dier als niets en niemand ontziende bedreiging voor watertrappelende kinderen met opblaasbandjes. Maar de tijden zijn veranderd en het is niet toevallig dat Spielberg uitgerekend nu met War Horse komt. Een paard is geen haai, maar door te tappen uit een ander vaatje draait hij de rollen om: wrede mens bedreigt onschuldig dier.

De effecten op het witte doek, laat dat maar aan Spielberg over, doen ons smelten voor Joey en Topthorn, de twee ‘paardpersonages’. Identificatie is de sleutel: zodra dieren emoties tonen die voor ons herkenbaar zijn, dan werkt het, dan gaan we om. Het is een beproefd concept. In de aanloop naar de eerste Golfoorlog in 1990 doken er close-upbeelden op van een oliebesmeurde vogel „op het strand van Koeweit”. Het machteloze klapwieken van plakkerige vleugels dat avond aan avond te zien was, droeg bij aan de steun voor Operatie Desert Storm. Pas toen het bombardement op Bagdad voorbij was, lekte uit dat het beeld van de vogel uit een oude filmdoos kwam (en bewust door spindoctors in de media was geplant).

De liefde van mensen voor dieren noopt tot argwaan. Om te beginnen kunnen slangen, ratten of horzels doorgaans niet op een al te ‘humane’ behandeling rekenen. Daar staat een huisdieraanbidding tegenover die semireligieuze contouren heeft aangenomen (honden die aan tafel mogen mee-eten, strooiveldjes voor de as van gecremeerde cavia’s of konijnen). En dan hebben we het nog niet gehad over de bloeddorst die dierenleed bij mensen kan opwekken. Daar is niet heel veel voor nodig, zoals kunstenares Tinkebell in 2004 aantoonde door een tasje te naaien van de door haarzelf gestroopte vacht van haar kat: ze raakte bedolven onder de gruwelijkste doodverwensingen.

Doorgeschoten dierenliefde zit naastenliefde in de weg. Alsof het een aflaat is voor een kwaad geweten. De wreedste dictators zijn vaak de sentimenteelste dierenvrienden. De Romeinse keizer Caligula die zijn paard Incitatus met juwelen behing en overwoog hem tot consul te benoemen. De Franse leider Napoleon die het couperen van de staarten van paarden verbood. Onder een foto van de Italiaanse dictator Mussolini uit 1931 stond: „De leidsman van een heel volk als paardenvriend: Mussolini, die elke dag rijdt, geeft een van zijn paarden suiker. Een fraaie, betekenisvolle eigenschap van een man die graag enkele van zijn kostbare minuten aan de liefkozing van zijn paard besteedt.”

Het kon niet uitblijven: ook PVV-leider Geert Wilders heeft zich (vorig jaar in een dierenopvangcentrum) laten fotograferen met een poes in zijn armen. Niets op tegen, maar toch: vanwaar die combinatie van moslimhaat en het afdwingen van een brigade geüniformeerde dierenbeschermers? Kokette overgevoeligheid voor het welzijn van dieren heeft iets suspects, alsof het een substituut is: warmte schenken aan pets omdat medemenselijkheid je zwaar valt.

De „redeloosheid” die meneer Van de Beek ooit onder het kopje DIER plaatste, zou onder MENS niet misstaan. Maar ik denk dat er nog een andere hebbelijkheid is die onze soort typeert én van andere dieren onderscheidt: het vermogen tot overdrijven. Homo sapiens laat zich weinig gelegen liggen aan de natuurlijke begrenzingen waaraan hij zich heeft ontworsteld. Hoe verder hij zich van de natuur vervreemdt, des te slechter lijkt hij in staat om zichzelf in toom te houden. Doorslaan is waarin we uitblinken, soms ten goede, vaker ten kwade.

Als ik een dier was, zou ik de liefde van de mens wantrouwen – hij is per slot van rekening de dodelijkste aller soorten.

Frank Westerman is schrijver en ex-redacteur van NRC Handelsblad. In 2010 verscheen Dier, bovendier.