We zijn een voorbeeld voor multiculti

Sidney de Jong maakte de professionalisering van het Nederlands honkbalteam van nabij mee. Van Europese grootmacht tot de beste van de wereld. En nu stopt de catcher als international.

haarlem:08-2-09-2005:pim melier stdaion sidney de jong krijgt zznwijzingen van de dugout Dwight Rompas

Sidney de Jong was de witte raaf van het Nederlands honkbalteam. De blonde catcher uit de hoofdklasse gold als een sleutelfiguur in een selectie, die grotendeels bestond uit donkere profs afkomstig uit Aruba en Curaçao en routiniers uit de hoofdklasse.

De cultuurverschillen maakten het nationale team eerder sterker dan zwakker. Want iedereen zette zich onder leiding van de in Amerika geboren bondscoach Brian Farley eind oktober in Panama voor één doel in: de wereldtitel. De missie slaagde. „Wereldkampioen. Het voelt nog altijd onwerkelijk”, zegt de 32-jarige De Jong in de woonkamer van zijn huis in de stripheldenbuurt van Almere.

De Jong heeft vorige week na lang wikken en wegen besloten dat hij op het hoogtepunt stopt met zijn interlandloopbaan. De WK-finale was zijn tweehonderdste en laatste interland. Hij heeft een eigen bedrijf met zijn vader dat honkbalspullen verkoopt. Daar gaat veel tijd in zitten. En hij heeft een zoontje van twee jaar.

„Die zag ik de afgelopen jaren vaak niet meer dan een uurtje per dag. Ik wil meer tijd aan hem besteden. In principe staat mijn besluit vast. Alleen als de bondscoach volgend jaar voor de World Baseball Classic [een landentoernooi waaraan de beste profs meedoen] mij speciaal verzoekt, zal ik een terugkeer in overweging nemen.”

Catcher De Jong gaat wel door als achtervanger van hoofdklasser Amsterdam Pirates. Hij zal altijd een liefhebber van het spel blijven. Een honkballer die is voortgekomen uit de Nederlandse sportcultuur. „Je sport hier voor een groot deel vanwege de gezelligheid. Veel jongens uit de hoofdklasse drinken achteraf graag een biertje en staan uren met elkaar te babbelen. Dat hoort er gewoon bij. De beleving bij jongens die prof willen worden is totaal anders. De mentaliteit is veel harder. Als je niet presteert ben je gezien. En dan ben je je baan kwijt.”

Het Nederlands team onderging in twaalf jaar tijd een metamorfose. De Jong maakte het proces vanaf zijn debuut op het EK van 2001 in het Duitse Bonn van nabij mee. Onder leiding van de toenmalige bondscoach Robert Eenhoorn werd het Nederlandse honkbal geprofessionaliseerd. Steeds vaker werden voor belangrijke toernooien profs uit de voormalige Nederlandse Antillen opgeroepen. „In het begin hadden sommigen het daar wel moeilijk mee. Wij trainden ons hier in Nederland het hele jaar de schompes voor de nationale ploeg en dan komt er zomaar iemand bij die je plekje inneemt. Dat werd in het begin zo gevoeld, nu is dat totaal verdwenen.”

Het Nederlands team ging steeds beter presteren en langzaam groeide het besef dat de samensmelting van verschillende culturen op het honkbalveld uitstekend werkte – in het Nederlands team althans. „Dat heeft te maken met topsportmentaliteit”, legt De Jong uit. „Als iedereen er vol voor gaat en elkaar als sporter respecteert, maakt het niet uit waar je vandaan komt. Natuurlijk hoef je niet met iedereen even goed bevriend te zijn, maar op het veld ga je voor elkaar door het vuur. Dat leverde ons de wereldtitel op. We zijn geridderd omdat we met z’n allen een voorbeeld zijn in onze multiculturele samenleving.”

De Jong realiseert zich dat de unieke samenstelling van het Nederlands team niet zomaar op ieder niveau gekopieerd kan worden. De catcher weet dat hij zijn woorden zorgvuldig moet kiezen. „Dit is een gevoelig onderwerp. En het is lastig uit te leggen aan een buitenstaander. Ik wil absoluut verre blijven van racisme of discriminatie. Daar heeft het ook niets mee te maken. Maar als de topsportmentaliteit niet de bindende factor is, dan komen de cultuurverschillen sneller aan het licht. En die kunnen bijvoorbeeld in de Nederlandse competitie dan juist een barrière vormen om tot goede prestaties te komen.”

De geboren Amsterdammer probeert zijn verhaal te verdiepen. „Als prof heb je maar één doel: het hoogste niveau halen. En dat is de Amerikaanse Major League. Daar geldt alleen het recht van de sterkste. In de hoofdklasse is dat anders. Zoals wij ervan houden na de wedstrijd met vrienden en bekenden nog wat te drinken en te praten, hebben de jongens uit Aruba en Curaçao hun eigen dingen. Ze zijn tranquilo, en af en toe een beetje loosey goosey. Ze willen er vaak goed uitzien. Dat zit er gewoon in. En dat is ook heel logisch. Dat is hun cultuur. Op Curaçao is het 35 graden. Daar kun je simpelweg niet constant vliegen, rennen en stressen. Maar het is niet altijd bevorderlijk voor het spel. Op het veld bestaat het gevaar dat ze hun momenten kiezen en zich weer laten terugzakken. Als je dan een tegenstander treft die wél op ieder moment het gras opvreet ben je gezien.”

De Jong heeft zichzelf in tien jaar tijd bij het Nederlands honkbalteam een topsportmentaliteit aangemeten. Hij is één van de weinige spelers uit de hoofdklasse die vrijwel altijd hun basisplaats in het Nederlands team hebben behouden. Maar zijn jeugddroom om te schitteren in de Amerikaanse Major League is niet uitgekomen.

„Ik heb wel twee jaar op een college gespeeld, maar er is nooit een aanbieding van een profclub geweest. Ik weet ook niet of ik echt geschikt zou zijn voor het profbestaan. Het is aan de ene kant prachtig om dag en nacht met honkbal bezig te kunnen zijn, maar ik ben een gezelligheidsmens. Het vele reizen en altijd maar alleen zijn zou me gaan tegenstaan.”

De afgelopen jaren maakten in Nederland opgegroeide spelers als Roger Bernadina, Rick van den Hurk en Gregory Halman wel een succesvolle overstap naar de Verenigde Staten. Zij haalden stuk voor stuk de Major League. Aan het leven van Gregory Halman kwam eind november een triest einde, toen hij door zijn jongere broer Jason in Rotterdam werd doodgestoken.

„Niet te bevatten. Ik heb een tijd voor me uit zitten turen toen ik het nieuws hoorde”, zegt De Jong. „Greg had een mooie toekomst. Hij was volwassen geworden. Ik heb een paar toernooien met hem gespeld. Maar Jason ken ik veel beter. Hij was ook catcher in de Nederlandse ploeg en werd vroeger als een groter talent gezien dan zijn broer. Maar hij maakte andere keuzes in het leven. Als de tijd er rijp voor is, zou ik hem graag nog eens ontmoeten.”