Schubert uiterst traag bij Chung

Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Myung-Whun Chung, 1/2 Concertgebouw A’dam. Herh. t/m 8/2.

Het Concertgebouworkest gaat deze maand naar Azië en neemt mee: Beethoven, Brahms, Schubert, Bartók en Mendelssohn (solist: Janine Jansen). Met die programmering zal het in China en Zuid-Korea misschien geen al te avontuurlijke indruk maken, maar zo kan het orkest des te beter zijn befaamde goudglanzende karakter etaleren. Zeker nu de leiding in handen is van Myung-Whun Chung, de Koreaanse dirigent die een hoogromantisch klankideaal laat opbloeien middels uitnodigende gebaren en bedachtzame tempi.

Dat die benadering ook uit de hand kan lopen, bleek woensdag uit Schuberts zeldzaam langzaam gespeelde Achtste symfonie.

Schubertiaanse zangerigheid maakte plaats voor bruckneriaanse panorama’s, de lichtvoetige momenten van het andante kwamen in de verdrukking. Volledige stilstand dreigde. Gelukkig zorgden heupwiegende middenstemmen nog voor enige beweging, en beschikten de soloblazers over grote longen en prachtige fraseringskunsten.

Brahms’ grootschaliger Tweede symfonie blijft bij zo’n epische lezing beter overeind. Zuchtend kwam de muziek op gang, om via een ronkend en geduldig betoog op te klimmen naar stralende hoogten en een onstuimige finale.

Hoornist Jasper de Waal speelde schitterend, net als de rest van het orkest. Hopelijk klinkt die altijd warme, rondborstige en toch transparante orkestklank in de zalen van Peking en Seoul net zo mooi.

    • Floris Don