Let op, slapen is sterven

Foto AP/Petr David Josek

Jón Kalman Stefánsson: Het verdriet van de engelen. Vertaald uit het IJslands door Marcel Otten. Anthos, 325 blz. € 21,95

‘Ze leunen tegen de schuilplek, een rots gepantserd in ijs. [...] De sneeuw klapt in hun gezicht als koude handen die raak slaan.’ Aldus een van de vele, vele beschrijvingen van sneeuw en ijs in de roman Het verdriet van de engelen van de IJslandse auteur Jón Kalman Stefánsson (Reykjavik, 1963). Of deze: ‘De hel is koud, het is een doolhof van ijs.’ De brandende hel, zoals in de bijbel staat, heeft voor de bewoners van IJsland geen bestaansrecht. Koude, sneeuw, ijs: dat is de hel op dit vulkanische eiland aan de rand van de wereld. Voor de IJslanders zijn sneeuwvlokken ‘tranen van de engelen.’ Aan dit beeld heeft Kalman de titel voor zijn roman ontleend, toegewijd en prachtig vertaald door Marcel Otten.

De roman opent met een poëtische, cursief gedrukte passage over de dood: ‘De dood heeft de antwoorden, staat ergens geschreven [...]. Dat is natuurlijk grote nonsens. Wat wij weten, dat wat we geleerd hebben is niet ontsproten aan de dood, maar aan gedichten, wanhoop, en ten slotte aan herinneringen over geluk en grote ontgoochelingen.’ Deze woorden wijzen vooruit naar de roman, waarin het gevecht tegen de dreiging van de dood overheerst. Ook sluit deze passage aan op Kalmans voorgaande boek Hemel en hel, waarin een jongeman de dood vindt op zee. Beide romans vormen met een derde, nog te verschijnen boek een trilogie.

Kalman is geen auteur van spannende boeken in de betekenis van veel actie, volop handeling. Feitelijk gebeurt er weinig in zijn romans, en toch slepen ze de lezer mee. Het verdriet van de engelen telt slechts twee hoofdpersonen, een naamloze jongen en de postbode Jens. De jongen draagt een groot verdriet met zich mee: zijn beste vriend kwam om tijdens een ijzige boottocht, zoals Hemel en hel beschrijft. Om zijn rouw te overwinnen zoekt hij vriendschap met de postbode, een oersterke, zwijgzame man die op de meest afgelegen plekken brieven en pakketten brengt, vaak met gevaar voor eigen leven. Ze krijgen opdracht post te gaan bezorgen op het zogenaamde Winterstrand, een van de onherbergzaamste plekken van IJsland. Voordat Jens postbode werd, eisten kou en winter zijn voorgangers op. Ze vroren dood, raakten bedolven door hevige sneeuwval.

De opdracht het Winterstrand van post te voorzien heeft een mysterieuze ondertoon. Is postbode Jens van zins een tergende zelfmoord tegemoet te gaan, met de tedere jongen in zijn kielzog? Is Jens levensmoe? Is hij, zoals de jongen denkt, ‘een doorgedraaide hufter’ die zijn gezelschap de dood in sleurt? We komen er niet achter. Dat is precies de intentie van de auteur.

Kalmans roman brengt een Poolse roman in herinnering, De witte raaf (1995) van Andrzej Stasiuk. Hierin onderneemt een groep mannen een gevaarlijke tocht door besneeuwde bossen. Ook hierin blijft de werkelijke aanleiding ongewis, en dat geeft aan beide boeken een adembenemende spanning. Bladzijde na bladzijde ploeteren postbode Jens en de jongen door de sneeuw, soms rollen ze meer een berghelling omlaag dan dat ze lopen. Ze begeven zich op verraderlijke sneeuwmantels, randen van opgewaaide sneeuw waar ze zo doorheen kunnen vallen.

Voordat Kalman zich tot prozaschrijver ontwikkelde publiceerde hij enkele dichtbundels. In zijn beschrijvingen van de sneeuw komt veel poëzie voor in regels als deze: ‘Poëzie laat je een andere wereld zien en rukt je dan terug, in een storm.’ Jens ondergaat het sneeuwlandschap om hem heen met die onophoudelijk woedende sneeuwstorm als een levend personage, ‘alsof het een menselijk wezen is dat hij op de knieën moet dwingen, alsof het gaat om leven of dood.’ In deze animistische natuurbeleving is de witte wereld hard en wreed. Een enkele maal vindt het tweetal onderdak bij een boerderij, waar licht brandt en warmte is. Maar ze blijven nooit lang in de veilige beschutting. Voort gaan ze weer, de onheilspellende en meedogenloze winterkou in. Slapen betekent de dood. De vermoeidheid kruipt in hun lichaam, totdat ze uiteindelijk aan de aarde lijken ontstegen. Ze zweven tussen dood en leven, tussen bevroren grond en winterse sneeuwhemel, totdat toch nog het noodlot toeslaat. Ondanks de enorme levenskracht van de jongen.

    • Kester Feriks