Jan G. Elburg, vergeten Vijftiger

Jan G. Elburg was een dichter die behoorde tot de Vijftigers zoals Hugo Claus en Remco Campert, maar hij werd vergeten. Hij was ook copywriter (hij verzon ‘het pientere pookje’ van DAF) en beeldend kunstenaar. Deze week verscheen een biografie en zondag opent een tentoonstelling van zijn werk.

‘En krijg ik nou gvd ook eens/ (leuke) kritieken ipv literaire prijzen.” Met hem typerend gevoel voor ironie en zelfspot schreef de dichter Jan G. Elburg deze regels, gelegd in de mond van een muis.

Ze staan ook in een bloemlezing uit zijn werk in 1982, waarbij de auteur van het nawoord schrijft dat Elburg bedreven is in „heldere duisterheid”, terwijl lezers in Nederland zijn poëzie ten onrechte troebel achten. Daardoor zou men Elburg als dichter niet zien staan.

Wat dertig jaar geleden nog een twistpunt kon zijn, is inmiddels bijkans tot feit gestold. Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Simon Vinkenoog, Hugo Claus, Remco Campert: ja, fameuze Vijftigers. Maar Jan G. Elburg? Eerder een vergeten Vijftiger. Hij mag de poëzie verrijkt hebben met enkele weergaloze gedichten, zijn reputatie is danig geslonken. In populaire bloemlezingen duikt zijn naam niet op. Slechts bij een zeer grote greep, zoals Komrij doet in zijn dikke overzichtswerken, tref je nog Elburgs werk.

Jan van der Vegt gaat de vraag naar de oorzaak van dit wegzakken uit de weg in zijn overigens voortreffelijke, kritische biografie van Elburg, De man met de drietand, die voortdurend werk en leven met elkaar verbindt. Elburg was een man met vele gezichten, ongrijpbaar als persoon en dichter, is zijn verklaring. Zijn poëzie kreeg te weinig eigen karakter, zoals bij met name Kouwenaar en Campert wel het geval was.

Maar Elburg was er wel bij, bij al die grote momenten in de wervelende periode na de oorlog, toen de Vijftigers de letteren op hun kop zetten. Zijn gedicht ‘Laag Tibet’, in 1947 gepubliceerd in een tijdschrift, mag beschouwd worden als een eerste aanzet. Van der Vegt noemt het „een klaroenstoot die met een uitbundige en irrationele beeldenrijkdom een nieuwe stijl van poëzie aankondigt”.

Maar als Lucebert een jaar later debuteert in een ander tijdschrift met het vlammende ‘Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’ dan acht Elburg zijn eigen bijdrage, een liefdeslied, „beschamend zoetsappig”.

Zijn doorleefde engagement toont hij raak in ‘Willen’, dat zijn bekendste gedicht wordt en dat hij schrijft uit woede over de Korea-oorlog. „Luister toch wat ik zeggen wou:/ in Florida schildert men negers zwart,/ in Florida schilt men negers/ en Spanje stinkt van het bloed./ Ik wou van mijn lijf een Korea maken,/ ik wou mijzelf zijn beneden mijn middenrif,/ ik wou een vlag zien kiemen uit een zaadje./ Ik zal het kiemen zien.” Zulke regels volstaan voor een plek in de canon.

In de groep experimentelen is Elburg een buitenbeen. Zijn overgang naar de nieuwe stijl verloopt hortend. In de oorlog schrijft hij traditionele gedichten, maar hij is ook in de ban van het surrealisme en dada. Vinkenoog wil hem aanvankelijk buiten Atonaal houden, de baanbrekende bloemlezing van uiteindelijk elf dichters die in 1952 het nieuwe gezicht van de Nederlandse poëzie representeren, omdat hij Elburg niet experimenteel genoeg vindt. Pas na druk van Lucebert worden Elburg en Kouwenaar opgenomen.

Een hechte groep is dat gezelschap geenszins. Al in 1949 voelt Elburg zich verraden als Kouwenaar en Lucebert niet protesteren bij de verwijdering van zijn aanstootgevende fotomontages op een tentoonstelling in het Stedelijk, waar dichters en de schilders Constant, Karel Appel en Corneille nog samen optrekken; onder meer met de leus „er is een lyriek die wij afschaffen”. Dat blijft hem dwars zitten. Ongemak veroorzaakt Elburg op zijn beurt met zijn openlijk en hartstochtelijk beleden sympathie voor het communisme, hoewel hij geen partijlid is. Elburg is een typische fellow traveller, een meeloper.

Altijd was er drank, later ook marihuana, maar een belangrijke splijtzwam is de liefde. Elburg is een agressief romanticus. Als kind een straatvechtertje, later een bokser en in 1940 een soldaat die bij de verdediging van de IJssellinie zijn mitrailleur ledigt op SS’ers die de rivier willen oversteken in rubberbootjes. Aan het einde van de oorlog is hij als bewaker, koerier en dief onderdeel van het verzet in Amsterdam, activiteiten die hij later ‘indiaantje spelen’ noemt.

Maar Elburg is bovenal een amorele rokkenjager die zich onder meer overgeeft aan zijn verliefdheden op de vrouwen van zijn vrienden. Freddie, een mysterieuze half-Franse blondine, eerst vanaf 1952 de vrouw van Campert, dan de vriendin van Kouwenaar, jaagt hij met wisselend succes jaren na, totdat deze schaamteloos geadoreerde muze uiteindelijk bij hem intrekt. Dat werkt niet en met een welgemeend „Nooit meer een dichter!” verlaat ze Nederland. De getergde Kouwenaar legt jaren later de vete met Elburg bij. Of Elburgs vriendschap met Campert wordt hersteld, vertelt Van der Vegt niet – maar Campert staat niet in de lijst met personen die de biograaf informatie verschaften, wat op wrok van zijn kant kan duiden. Als Elburg in 1964 trouwt met Michèle Gaarkeuken, de zus van een buurvrouw, is geen van de Vijftigers aanwezig.

Ondanks zijn linkse sympathieën verdient Elburg zijn leven lang geld als een inventief en veelgevraagd copywriter (‘het pientere pookje’ verzon hij voor de nieuwe pook van DAF). De experimenteel is evengoed de huisdichter bij de jeneverstokers van Bols. Dertig jaar geeft hij ook les in materiaalkunde op het IVKNO en de Rietveld Academie.

Als vanaf de jaren 70 de terugblikken op de revolutionaire poëziedaden van weleer beginnen, vallen Elburg prijzen ten deel, maar valt ook de lauwe ontvangst van nieuw werk op. Zijn leven lang speelt hij virtuoos met taal en associeert hij erop los, helder én duister, maar zonder pers of publiek écht te bekoren. Langzaam verandert hij, inmiddels verhuisd naar Haarlem, weg van de cafés in de hoofdstad, in het soort letterheer bij wie Lucebert decennia eerder „de blote kont der kunst” kuste.

Ron Rijghard

Jan van der Vegt: ‘De man met de drietand’. Leven en werk van Jan. G. Elburg 1919-1992. Meulenhoff, 492 blz. €25,-Ook verschenen: Koos Schuur en Jan G. Elburg: ‘Een Halve Eeuw Vriendschap. Twee Vijftigers In Brieven 1943-1992.’Jan G. Elburg: ‘Ik zie scherper door de taal. Een bloemlezing uit zijn gedichten.’

    • Ron Rijghard