De Zeeuwse dijken werden opgetild

De daadwerkelijke oorzaak van de Watersnoodramp is nooit goed onderzocht. Dat zegt Jan-Willem Boehmer, een oud-ingenieur van de Deltawerken.

De vraag ‘hoe braken de dijken in 1953?’ is negenenvijftig jaar na de ramp nog steeds niet beantwoord, omdat er nooit onafhankelijk onderzocht naar is gedaan. Wie dat nu wel doet, is de Haagse ingenieur Jan-Willem Boehmer (68), indertijd hoofd research van de fundering van de Oosterscheldekering en van de dijken, oever- en dijkvallen in het rampgebied. Hij vindt het inmiddels vreemd dat zijn bazen bij Rijkswaterstaat hem in de zeventiger en tachtiger jaren nooit hebben opgedragen te verklaren waarom de dijken tijdens de ramp met honderden tegelijk braken in die eerste zes uren van 1 februari 1953. De Stormvloedcommissie had weliswaar al in 1939 geconcludeerd dat de dijken in de delta te laag waren? En ze waren bij vroegere rampen toch ook te laag?

Maar de Tweede Kamer nam destijds genoegen met de verklaring van Minister-president Willem Drees en Jacob Algera (Minister van Waterstaat), dat de oorzaak van de ramp een waterstand was die 70 centimeter hóger was dan bij de vorige ramp, van 1906. Kees Slager stelt de vraag ook niet in zijn befaamde boek De ramp, zegt Boehmer. „Hij nam aan, op gezag van Rijkswaterstaat, dat een dijk, zoals altijd gedacht, pas brak nadat het water zó steeg, dat het er overheen ging.” Maar hoe kón dat eigenlijk, als de dijken na 1906 één tot anderhalve meter waren verhoogd? Die vraag werd ook na 1953 niet gesteld.

Daarom dook Boehmer in de archieven. Het eerste dat hij las was deelrapport V.2 van de Deltacommissie over de oorzaak van de ramp. Maar de conclusie daarin – wateroverslag – klopt niet met de feiten. Na vergelijking van de feiten in het officiële verslag van de Algemene Dienst uit 1961 en de ooggetuigeverslagen, die Kees Slager opschreef, selecteerde Boehmer 33 gevallen waarbij dijken lang voor de hoogste waterstand braken; in één geval gebeurde het lang daarna. Na een speurtocht in het Nationaal Archief en de Koninklijke Bibliotheek las hij dat de waterschapsingenieur Coomans in 1906 ook al had waargenomen dat dijken voortijdig braken (dus voordat er water overheen sloeg) en dat opkomend grondwater daarvan de oorzaak was. „In 1906 braken de dijken ’s middags en dat grondwater was toen goed te zien. Maar men geloofde Coomans niet en nam in 1939 en 1953 werktuiglijk aan dat de dijken toch bij hoogwater door wateroverslag waren bezweken”, zegt Boehmer.

Boehmer heeft op college nooit anders gehoord van zijn hoogleraren, die in de Deltacommissie of werkgroep V.2 hadden gezeten. Op een bijeenkomst in april 2011 met Waterstaat en Deltares (de adviseur in de officiële dijkentoets) werd dan ook ontkend dat er een andere oorzaak dan wateroverslag kon zijn. Dan zouden alle stresstesten van dijken overnieuw moeten en zou Vlaanderen er ook bij moeten worden betrokken. Want de Westerschelde, en het verlengde daarvan met de toepasselijke naam ‘Zeeschelde’, zou dan even kwetsbaar zijn. Deze 150 kilometer lange zeearm werd immers, als enige, niet afgesloten na 1953.

Boehmer stuitte in september 2011 op een ooggetuigeverslag, dat bij de autoriteiten was ingediend en dat beschreef hoe de Mijlpolderdijk bij ’s-Gravendeel zes uur voor ‘maximum hoogwater’ doorbrak. Nota bene bij laagwater, rond tien uur ’s avonds, op 31 januari 1953. Ook de binnendijk erachter, de Molendijk, was al vóór middernacht doorgebroken. Daarbij werden complete dijkhuizen met kelder en al opgetild en de polder ingesleurd, met 37 slachtoffers. Dijkhuizen zonder waterdichte kelders braken doormidden. Dat kan volgens Boehmer alleen verklaard worden door het opkomende grondwater van Coomans en door drijfzand ónder die dijken. „Kleidijken worden dan opgetild en weggeduwd, maar de foto’s daarvan zijn zoek”, zegt Boehmer. „Voor Drees, Algera en zijn ingenieurs was het onverteerbaar dat dit al gebeurde bij waterstanden die 70 cm lager waren dan bij de vorige ramp. Met een hogere dijk red je het dan niet.”

Het opkomend grondwater in ’53 werd gevoed door het opgewaaide water in de zeearm. „Er is dus sprake van een totaal andere dynamiek van dijkdoorbraak dan wat we gewend zijn, en die in geen enkel verslag te vinden is”, zegt Boehmer.

Het eerste dat een onafhankelijk commissie zou moeten onderzoeken is het werkelijke tijdstip van doorbraak in de 33 gevallen van Boehmer. Die commissie moet ook niet denken dat de Deltadammen en de los tussen de pijlers liggende drempels onder de schuiven van de Oosterscheldekering wel heel blijven bij opkomend grondwater en drijfzand tijdens stormvloed. Ook onveilig zijn volgens Boehmer de funderingen van de bedrijfsgebouwen van de kerncentrales achter de dijken van de grote rivieren in Europa.

„Ik ben blij met de vernieuwde inzichten”, zegt oud-Shell-ingenieur Marius Peutz in een reactie. Het lijkt hem aannemelijk dat zeewater via permeabele zandlagen tot onder en in de dijken kan doordringen. „Bij een langdurige hoogwaterstand zal de druk in de dijk geweldig toenemen omdat niet voldoende water kan worden afgevoerd”, zegt Peutz.

Dit kan de dijkdoorbraken in 1953 hebben veroorzaakt, toen er een extreem langdurige hoogwaterstand was waardoor de waterdruk in de dijken hoger opliep dan waarvoor de dijken (historisch) berekend waren, aldus Peutz. „De enige goede remedie tegen in de dijken opkomend water is de volledige afsluiting met een voor water ondoorlatende kleilaag onder de gehele dijk.”