De volgende stap in duurzaamheid: biologische jurken en sokken

Veel grote retailbedrijven in de kledingindustrie willen mode gaan verkopen die op een verantwoorde manier en tegen redelijk loon is geproduceerd. Maar dat is een stuk makkelijker gezegd dan gedaan. Er komen vaak wel tien tussenpersonen aan te pas voordat de grondstof katoen als kledingstuk in de winkel hangt.

Als je in Oezbekistan op school zit, loop je vanaf een jaar of elf grote kans om in het najaar door de staat uit je klas gehaald te worden voor de katoenpluk. Zeven dagen per week en tien uur per dag, zonder goede slaapplaats, verwarming of schoon drinkwater. Eten moet je zelf kopen van het geld dat je verdient, en als je niet genoeg katoen plukt kun je de staat zelfs geld verschuldigd raken. In het voorjaar loop je hetzelfde risico als het onkruid gewied moet worden.

Dit gaat al zo sinds de Sovjet-tijd, maar toen het BBC-programma Newsnight er in 2008 een documentaire over maakte, opende die de ogen van enkele grote retailers in de kledingindustrie. Het Zweedse H&M, Het Finse Marimekko en later de Britse ketens Marks & Spencer en Tesco besloten meteen tot een boycot van Oezbeekse katoen. Het bleek een onmogelijke stap: in het seizoen erna was de Oezbeekse katoenopbrengst groter dan ooit. En waarschijnlijk was die later volop te koop in de winkels van H&M en Marks & Spencer.

„De merken hebben geen idee waar de katoen die ze gebruiken vandaan komt”, zegt Amanda Stone, programmamanager bij het Initiatief Duurzame Handel (IDH). „De productieketen is uitermate complex. Tussen boer en detailhandel zitten zo’n tien tot vijftien personen. Elke partij weet meestal alleen bij wie hij inkoopt en aan wie hij verkoopt.” Wie de modewereld wil verduurzamen, zal dus moeten werken aan transparantie van de keten.

De twee eigenaren van Studio Jux, afgelopen vrijdag winnaar van de Green Fashion Award bij de Amsterdam Fashion Week, doen dat door hun productieketen te verkorten. Zij laten hun kleding maken in een eigen atelier in het Nepalese Kathmandu, door kleermakers die zij persoonlijk kennen. De jonge ondernemers, Jitske Lundgren (31) en Carlien Helmink (28), verkopen die kleding momenteel aan vijftig winkels in negen Europese landen. Aan de hand van een label in het kledingstuk is via internet te zien wie het gemaakt heeft.

Ze zijn voortdurend bezig met onderzoek naar duurzame materialen en productiemethoden, zegt Helmink. „We gebruiken zoveel mogelijk gecertificeerde katoen.” In dat geval zijn er eisen gesteld aan arbeidsomstandigheden en beperking van de milieubelasting. „Maar als je uitsluitend voor gecertificeerde materialen gaat beperk je je enorm. Wij zorgen er bijvoorbeeld wel voor dat we geen katoen uit Amerika gebruiken, omdat daar het water over een grote afstand moet worden aangevoerd. Liever kopen we katoen uit een natte omgeving waar bijvoorbeeld ook rijst wordt verbouwd, zoals in China.”

Helmink ziet de vraag naar duurzame kleding toenemen en het suffe imago verdwijnen. „Er is tegenwoordig zoveel biologisch aanbod in de supermarkt. Als je biologisch gaat eten wil je daarna ook biologische sokken.”

De meeste kledingmerken hebben tegenwoordig wel duurzaamheidsplannen, zegt Amanda Stone van IDH. „De grote vraag is alleen wat ze ervan weerhoudt om die ook echt uit te voeren. Meestal is dat de complexiteit van de productieketen. Ze weten gewoon niet waar ze moeten beginnen. En als je zegt duurzaam te gaan werken wordt er meteen van je verwacht dat je perfect bent. Terwijl bedrijven juist lof zouden moeten krijgen voor het feit dat ze iets proberen.”

H&M is een goed voorbeeld van de dilemma’s. De enorme retailer (94.000 werknemers, 700 leveranciers) is nog lang niet duurzaam te noemen, maar zet wel progressieve stappen. Met andere bedrijven en IDH werkt het samen in het Better Cotton Initiative. Dat geeft training aan katoenboeren in methodes om minder water, pesticides en kunstmest te gebruiken en hun arbeidsomstandigheden te verbeteren. In 2020 wil H&M dat al de katoen die het bedrijf gebruikt „duurzamer” is. Dat betekent, zegt de Zweedse duurzaamheidsmanager Henrik Lampa, dat ze uitsluitend Better Cotton, biologische katoen of gerecycelde katoen gebruiken. „Dan zal van alle katoen dus de herkomst traceerbaar zijn.”

Nu is het nog behelpen om te voorkomen dat er Oezbeekse katoen wordt gebruikt. „Van de meeste gewone katoen in onze winkels weten we niet waar het vandaan komt. We vragen al onze leveranciers om aan hun leveranciers te vragen of ze Oezbeekse katoen willen weren. En of die het dan weer aan hún leveranciers willen vragen. Maar we krijgen geen feedback uit de hele keten.”

In 2010 was het Zweedse concern volgens de organisatie Textile Exchange de grootste gebruiker van biologische katoen ter wereld. (C&A stond op de tweede plaats, een jaar eerder nog eerste). Of H&M ook de grootste gebruiker van gewone katoen is wil Lampa om redenen van concurrentie niet zeggen. „We overwegen nu of we in de toekomst het percentage gebruikte biologische katoen bekend zullen maken, in plaats van de hoeveelheid. Dat percentage is het afgelopen jaar in elk geval wel gegroeid.” Voor een buitenstaander is het voorlopig dus niet in te schatten of de winkelketen op koers ligt om de ambities voor 2020 waar te maken.

In het rek van H&M hangen baby-T-shirts van biologische katoen die gemaakt zijn in Bangladesh, een van de slechtste plekken om textielarbeider te zijn. H&M zegt daar het landelijk minimum loon te betalen. Dat is omgerekend 27 euro, vertelt Niki de Koning van de Schone Kleren Campagne. „Dat ligt ver af van wat we een leefbaar loon noemen, het bedrag dat nodig is om in de basisbehoeften te voorzien. In Bangladesh ligt dat op 111 euro. Om dat te verdienen moet een arbeider 195 uur per week werken, terwijl er maar 168 uur in een week gaan.” In de periode 2006-2010 zijn volgens officiële gegevens 464 Bengaalse textielarbeiders omgekomen bij fabrieksbranden, meldt De Koning.

Volgens Esther Verburg, manager Benelux bij Made-By, is aan de mate van transparantie goed te zien of een bedrijf serieus is met zijn duurzaamheidsverhaal. „Wat vertellen ze over de verbeteringen die ze doorvoeren, hoe open zijn ze over hun controlemechanismes, hoeveel details verstrekken ze in hun over beleid ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen?” Made-By is een door Solidaridad opgerichte organisatie die bedrijven (waaronder G-star, Claudia Sträter, Nomad) begeleidt in hun duurzaamheidsstrategie en daarover jaarlijks de vooruitgang publiceert.

Verder is het belangrijk, zegt Verburg, dat de duurzame activiteiten zich goed verhouden met de rest van de bedrijfsstrategie. „Je moet nooit zomaar een duurzame spijkerbroek op de markt brengen. Dat hebben alle collega’s al gedaan. De klant koopt dat niet, zo’n product verdwijnt weer en dat is zonde.”

Ligt de oplossing niet voor een groot deel in minder consumeren? „Het is zeker een deel van de oplossing”, zegt Verburg. „Uiteindelijk moeten we minder grondstoffen gebruiken, maar binnen de modewereld is dat een dilemma, want mode gaat erom elk seizoen met iets nieuws te komen.” Ze ziet wel dat er merken komen die zich specialiseren in tijdloosheid.

Matthijs Boelee, hoofddocent fashion design aan de Artez-hogeschool in Arnhem, denkt dat het moeilijk zal zijn voor Nederlanders. „Het is typisch Nederlands om heel veel kleding voor heel weinig geld te kopen, al moet je het na een maand van ellende in de vuilnisbak gooien. In de landen om ons heen schaffen mensen vaker één stuk aan van een goed merk, dat lang meegaat.”

Carlien Helmink van Studio Jux: „Wij maken kledingstukken waar je een lange tijd mee leeft. Onze klanten vinden het te makkelijk om veel voor weinig te kopen en zich daarmee een zogenaamde identiteit aan te meten.”

Wat vindt H&M, de plaats waar je veel voor weinig haalt? Lampa: „Wij willen vooral efficiënt met grondstoffen omgaan. En we werken aan verbetering van de kwaliteit, zodat je kledingstukken kunt weggeven of recyclen als je ze niet meer wilt dragen. We willen ervoor zorgen dat de kwaliteit niet de beperkende factor is.”

Hanneke Chin-A-Fo

    • Hanneke Chin-A-Fo