De rechter die niet mocht bellen

Foto Hollandse Hoogte

Hans Westenberg (66) werkte al 24 jaar bij de Haagse rechtbank, toen hij in oktober 2009 wegens de Chipshol-affaire met vervroegd pensioen ging. Het voortijdig opstappen beoogde „discussie over zijn functioneren” te voorkomen, aldus de rechtbank.

Maar dat debat was toen al gaande. Het hof in Den Haag had namelijk op 23 juni 2009 in een tussenarrest vastgesteld dat Westenberg als rechter gebeld had met advocaten in de Chipshol-zaak. En bellen met advocaten in een lopende procedure – door een rechter – geldt als een doodzonde, omdat daarmee de schijn van partijdigheid gewekt kan worden.

Westenberg had het bellen daarom ook altijd ontkend. De kwestie was waarschijnlijk in de vergetelheid geraakt als Westenberg in 2004 niet een procedure had aangespannen tegen een advocaat. Die advocaat had namelijk in een boek over de rechterlijke macht beweerd dat er in grote zaken met grote belangen soms gekke dingen gebeuren. Als voorbeeld noemde hij de bellende Westenberg.

Westenberg begon een zaak tegen de advocaat. Hij ontkende onder ede dat hij met advocaten had gebeld. Maar in 2009 stelde het hof vast dat hij wel degelijk met advocaten had gebeld. Kort daarna ging rechter Westenberg in ‘goed overleg’ met de rechtbank met vervroegd pensioen. Hij kreeg nog een premie mee van 75.000 euro, wat leidde tot verontwaardigde Kamervragen van Fred Teeven (VVD), inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Een ander pikant detail over Westenberg als rechter maakte zijn voormalig collega Kalbfleisch eind 2010 bekend, toen hij gehoord werd in de Chipshol-affaire. Kalbfleisch vertelde dat hij Westenberg in 2007 als juridisch adviseur had ingehuurd namens de NMa. Kalbfleisch was toen NMa-voorzitter.

De NMa wilde graag een second opinion over een vonnis van een rechter in Den Haag. Westenberg gaf de NMa het advies niet in beroep te gaan en factureerde 1.618,40 euro voor 8,5 uur werk.

De Raad voor de Rechtspraak haalde hierna hard uit naar Westenberg. Bijklussen als rechter was onacceptabel. De Raad zei hem waarschijnlijk „een disciplinaire maatregel” te hebben opgelegd als zijn adviespraktijk bekend was geweest.