Cobraschilder die 'prachtig denkt'

Jan Elburg, experimenteel schilder en dichter, 5 februari t/m 29 april in het Stedelijk Museum Schiedam, Hoogstraat 112, Schiedam. Di-zo 10-17u. Inl.: 010 2463666 / www.stedelijkmuseumschiedam.nl ****

Soms kan het leven je bij toeval een beetje helpen. Ergens zo rond 1960 kreeg de moeder van kunstenaar Jan Elburg een nieuw plafond. Zes piepschuim platen bleven over. Zonde om weg te gooien en zoon Jan nam ze mee naar het atelier, om te beschilderen. Nu een halve eeuw later blijken dit zowaar de beste werken te zijn in een retrospectief in Schiedam, ingericht vanwege het verschijnen van Elburgs biografie. Cobraschilder Elburg maakte al jaren op papier wilde schilderingen van lijnen en dieren en mensen. Op piepschuim krijgen die een extra dimensie als de verf groeven in het rulle materiaal veroorzaakt, plafondplaten promoverend tot een doorleefde materieschilderkunst.

In 1960 had Elburg al heel wat meer kunstexperimenten achter de rug – schilderend en dichtend en tekenend, met wat voor materiaal maar voorhanden was. In de tentoonstelling hangen in een hoekje schilderingen die hij eind jaren veertig maakte met stompjes kaarsen. Het was in die kaarsvetperiode dat hij Karel Appel en Lucebert ontmoette, bij wie hij zich meteen thuis voelde. Dit waren ook experimentele kunstenaars, schilders die dichtten en dichters die schilderden – net als hij. Ook zij zagen in die naoorlogse jaren vrije expressie als overwinning op de onderdrukker. Jazeker, kunst was politiek, zelfs als er alleen vogels op stonden.

Prompt sloot Elburg zich in 1949 aan bij de eerste museale Cobratentoonstelling in Amsterdam, waar hij een schandaal veroorzaakte. Zelf noemde hij zijn collages „ironische plaksels”, de pers noemde het liever een „obscene verminking” hoe hij Titiaans Venus de kop van een oudere dame had gegeven en er tuinders uit een christelijk tijdschrift bij had geplakt, bij wijze van gluurders. Ook vond niet iedereen zijn fotomontages geslaagd van de kardinaal van Mechelen tussen stripteasedanseressen – beeldende equivalenten van de dadaïstische kolderverzen die hij als dichter schreef.

‘Ik hoop dat ik stoor’, heette niet voor niets een latere tentoonstelling van Elburg. Storen doet hij niet meer. Wilde piepschuimschilderijen en brute collages zijn niet meer aanstootgevend, al moet gezegd dat zijn meest scandaleuze plaksels in Schiedam ontbreken.

Dat gemis wordt gecompenseerd met een bonte verzameling van schilderijen, gouaches, gedichten, monoprints. Er draait zelfs een surrealistische film, vol bewegende vissenogen – schatplichtig aan cineast Buñuel – en veel sigarettenrook wat nu eenmaal hoorde bij het kunstenaarsbestaan. Voor de oorlog bezocht Elburg meermalen een surrealistische expositie die hem bijbleef, later houdt zijn werk daardoor een absurde grimmigheid die moeilijk samengaat met het naoorlogse optimisme van de bekende vissen- en vogelthema’s. Elburg, een voormalige verzetsheld, veranderde die vogels niet zelden in vliegtuigen, bommenwerpers. Mensenhanden werden wanhopige klauwen, naar Picasso's Guernica. Je ziet hem denkend tekenen, zowel in zijn doorleefde piepschuimwerken als in de ijle mensfiguren die hij nog op zeer hoge leeftijd tekende. „Ik kan prachtig denken”, zei Elburg, behalve kunstenaar ook stalinist en wapenverzamelaar. In Schiedam is te zien dat hij in elk geval prachtig kon schilderen.