Alles is alleen van mij zolang ik kijk

De overleden Poolse dichteres Wislawa Szymborska laat een klein oeuvre met een grote uitstraling na.

Misty Yosemite Trees Jupiterimages

Haar grafschrift had ze allang klaar: ‘Hier ligt, zo ouderwets als komma en punt,/ zekere maakster van enige verzen.’

De woensdag overleden Wislawa Szymborska (1923) was geen dichteres die zichzelf erg serieus nam – steeds dreef ze de spot met gedichten, met eer, met menselijke waardigheid – en tegelijkertijd was ze een dichteres die de poëzie uiterst serieus nam. Ze leefde voor de poëzie en door de poëzie, maar wenste er beslist niet beroemd mee te worden. Toen de Poolse Szymborska in 1996 te horen kreeg dat ze de Nobelprijs had gewonnen, riep ze verschrikt in de hoorn: „Nee, ik niet, ik niet!”

Het moet angstaanjagend nieuws geweest zijn voor iemand die Lof van de geringe eigendunk schreef of die een gedicht zo begon: ‘Mijn zuster schrijft geen gedichten/ en ik denk niet dat ze er nu opeens nog mee zal beginnen./ Dat heeft ze van moeder, die geen gedichten schreef,/ en van vader, die evenmin gedichten schreef.’ Na de Nobelprijs werd ze een van de meest gelezen dichters ter wereld. Haar bloemlezing Uitzicht met zandkorrel werd in Nederland een zeldzame poëziebestseller.

Szymborska had geen enkele behoefte haar eigen gedichten uit te leggen, ze deed niet meer dan ze voorlezen. Aan interviews had ze een hekel. In Einde en begin, een zeldzame documentaire die de Nederlandse filmmaker John Albert Jansen in 2011 over en met haar maakte, zegt ze: „Ik heb lang geleden in een interview uitgelegd waarom ik geen interviews geef.” Je kunt niet anders dan grinniken bij zo’n uitspraak die met pinkelende ogen wordt gedaan.

Ook in haar gedichten sprak ze niet graag over zichzelf. Anders dan de hierboven geciteerde regels misschien suggereren, is ze bepaald geen dichter die voortdurend zichzelf uitdrukt in haar poëzie, al doet ze dat natuurlijk ook weer wel. Maar niet door te zeggen wat zij meemaakt of vindt, maar door soms verhalend te zijn, soms beschouwend, door geen onderwerp uit de weg te gaan en daarbij het grote heel dikwijls te vertalen naar het gewone en alledaagse.

Ze schreef een gedicht over de eerste foto van Hitler – ‘Wie is dat snoesje in dat babyjurkje toch?’ –, over een terrorist die voor het café waarin hij een bom heeft geplaatst staat te kijken tot de bom afgaat, over een foto van 11 september, over dat er na een oorlog altijd iemand moet komen om de rommel op te ruimen, over verjaarscadeaus, kleren, gelukkige liefdes, over het toeval van één bepaald mens te zijn, levend op één bepaalde plaats ‘Om welke reden/ niet hiernaast of honderd mijl verder,/ gisteren of honderd jaar geleden/ zit ik hier […]?’

Szymborska twijfelt, stelt vragen en verandert iets in de hoofden van haar lezers. Heb je haar poëzie gelezen en tot je door laten dringen, dan vertrouw je niet op veel meer, zonder daardoor gedesillusioneerd te zijn. Op de mensen niet, op de geschiedenis niet, maar ook niet op jezelf. Ons gebrekkige waarnemingsvermogen, ach, het is bijna vertederend. Gaan we op reis, onthouden we eigenlijk niets van wat we zien, schrijft ze, alleen flarden en brokstukken. We slaan niets echt nauwkeurig op in het geheugen, alles is „alleen van mij zolang ik kijk”. Heb je dat eenmaal gelezen, dan staar je op reis met extra intensiteit naar het licht op de reling van de boot, naar de grote deuren van de kathedraal, de olijfboom langs het geplaveide pad, maar in je zegt een stem zangerig „Geen sprietje behoud ik/ in zijn volle aanschouwelijkheid”.

Het is verbluffend hoe een dichteres uit het Poolse Krakau, een bescheiden en onopvallend leven leidend, zich bezig houdend met grappige stukjes voor bladen, het maken van rare collages en gedichten, ineens bijna de hele wereldbevolking bleek aan te spreken. Iedereen ging van haar gedichten houden.

Ze bleken ook goed vertaalbaar, ook al omdat ze niet rijmde en niet erg metrisch schreef. Vrije vormen laten zich makkelijker vertalen. Haar taal moet, te oordelen naar de vertalingen, beslist niet verheven of bemoeilijkend, maar wel levendig en precies geweest zijn, en precies ook de mogelijke gedachten, de mogelijke ervaringen, verwondering en gretigheid van heel veel mensen verwoord hebben. „Leven – zeg ik, je bent mooi,/ je had niet rijker kunnen zijn,/ niet mieriger of meer bemereld.”

De documentaire Einde en begin van John Albert Jansen is te zien op hollanddoc.nl