Zingen zal ik

Jeroen Willems is een zanger in het lichaam van een acteur. In het theater zong hij Monteverdi, Brel en Otis Redding, nu zingt hij John Dowland. Als indiaan.

Heerhugowaard 31-01-2012 Flow my tears van muziektheatersensemble Veenfabriek met Jeroen Willems Foto NRC H'Blad Maurice Boyer

‘Zingen, dat heeft voor mij nog magie. Acteren ken ik, en ik erger me als het systeem erachter zichtbaar is. Wat een onzin om te doen alsof het publiek er niet is, alsof je je niet bewust bent van omgevingsgeluiden, alsof je tegenspeler niet elke dag anders is. Elke paar jaar overvalt mij een grote moeheid ten aanzien van acteren. Taal is ratio: er is eerst betekenis, en dan pas ontroering. Ik ben jaloers op de directe manier waarop muziek kan raken.”

Jeroen Willems (49) is een zanger in het lichaam van een acteur. Een bejubeld acteur, sinds zijn tijd bij theatergezelschap Hollandia. Europees erkend en veelgevraagd sinds de monoloog Twee Stemmen (1997), die hij al vijftien jaar speelt in het Nederlands, Frans, Duits en Engels. Willems speelt intussen even makkelijk in München, Basel of Avignon, als in Amsterdam. Zijn Duits is feilloos, bijna net zo mooi als zijn Nederlands. Daarnaast is hij filmacteur, in onder meer Nynke (2001) en Majesteit (2010), en recentelijk in Lena, te zien op het International Film Festival Rotterdam. Geprezen en gelauwerd is de acteur: hij kreeg in 2005 de Louis d’Or voor La Musica Twee én Brel, de zoete oorlog, ontving een Gouden Kalf voor Majesteit (2010), en kreeg in 2004 de Mary Dresselhuysprijs voor beste acteur.

Maar wat Willems wil, is zingen. Dat begon al in zijn jeugd, meezingen met soulzangers. „We hadden thuis een gezinsorkestje.” Een opleiding aan het conservatorium leek hem echter te conventioneel. En op de toneelschool in Arnhem was er ook veel aandacht voor zang en ademhalingstechnieken. „Want in je adem schuilt je ziel”, aldus Willems. Later had hij les van de in 2008 overleden sopraan Marjanne Kweksilber. Willems zong in het theater liederen van Brel en Monteverdi, had rollen in opera’s van Louis Andriessen en Christoph Marthaler. Vorig jaar zong hij Otis Redding in de Kleine Komedie, en nu probeert hij jazz. „Ik ben in het zingen breed op zoek geweest.”

Hij zong al in voorstellingen van Hollandia, maar bij het theaterconcert Brel, de zoete oorlog (2004) zette hij een eerste, serieuze stap als zanger. Willems’ hese, soms ietwat ijle, dan weer rockachtig-stevige stemgeluid kwam nauwelijks overeen met dat van de veel romantischer Vlaamse chansonnier. Maar hij benaderde hem wat betreft emotie, expressie, en theatrale impact. Overtrof hem zelfs misschien. Intussen is Willems bijna operazanger – bijna. Zijn meest recente zangproject was een opera van Christoph Marthaler, Lo stimolatore cardiaco, opgebouwd uit delen van Verdi-opera’s. „Ik heb ook in Avignon gezongen in een productie van Marthaler. Hij vraagt mij om de acteur die ik ben, maar ook om het soort zanger. Hij vindt mijn stem zo bijzonder, zegt hij. Ik weet hem anders, directer, te raken dan klassiek geschoolde zangers.

„Zingen in zijn opera’s leidt tot vreemde ontmoetingen. Meesterlijke zangers zien een acteur die er met ‘hun’ aria’s vandoor gaat. En als ik hen hoor zingen, denk ik meteen: ‘O God, daar kom ik, met mijn stemmetje.’ Het maakt heel onzeker. Maar ik houd ervan om hoog te moeten reiken.”

Een tijdlang had hij daadwerkelijk ambitie als operazanger. „Ik wilde bewijzen dat ik dat ook kon. Maar dat is na deze opera wel een beetje klaar. Het is toch niet echt haalbaar: de techniek, het enorme volume, dat vibrato, ik red het een beetje, maar niet, nooit zoals zij. Ik ambieer het nu ook niet meer zo om deel uit te maken van die wereld. Maar er zijn genoeg varianten denkbaar. Daar blijf ik naar zoeken: hoe ik in het theater kan zingen, zonder dat het een concert is, of een musical. Hoe dan ook, zingen zal ik.”

Een man die indiaan wil zijn

In Flow my Tears van de Veenfabriek zingt hij weer. Liederen van John Dowland (1563-1626), samen met Marleen Scholten. En hij speelt: een man die een indiaan wil zijn, en dit in zijn alledaagse leventje consequent doorvoert. „Het is een lichtere rol dan waarvoor ik doorgaans word gecast; iets komischer. Ik heb het soort uitstraling waardoor mensen vaak iets duisters in me zien: mysterieus, ongrijpbaar, diabolisch. Maar zelf ben ik luchtiger dan de rollen die ik speel. Grappiger ook, geloof ik. Ik kijk uit naar dit project. Het was mijn idee: ik had zin om een indiaan te zijn.”

Alleen: hij is geen indiaan, maar een man die er één wil zijn. Die tragische, vergeefse hunkering bestaat bij veel van de personages die hij speelde. Jacques Brel, koning Ludwig II: eenzame, moeilijke mannen zijn het. Hij komt er niet onderuit: dat aura van romantisch solitair machismo. „Ik denk niet dat ik die rollen er bewust op uitkies”, zegt Willems, „maar het raakt wel iets in mij. Ik vind het zelf moeilijk om alleen te zijn. Als freelance acteur met een ‘Europese carrière’ ben ik wat ze in Duitsland een ‘Lufthansa-Schauspieler’ noemen. Ik zit bijna net zo veel in het vliegtuig als dat ik op toneel sta. Dan gaat je sociale leven nogal op z’n gat. Ik heb erg behoefte aan aanspraak. Natuurlijk is er skype, telefoon. Maar echt met iemand zijn, met vrienden zijn, is moeilijk. Dat is niet leuk nu.”

Een doorsnee Hollander die een indiaan wil zijn. Een acteur die zanger wil zijn – is die parallel te ver gezocht? „Ja. Zover gaat het bij mij niet. Het is niet zo dat ik niet kan accepteren wie ik ben. En ik keer me ook niet af van de wereld, van de maatschappij. Ik hou van het leven dat bij het acteursvak hoort, ook al loopt dat soms volslagen uit de hand. De afwisseling bevalt me. Ik heb nog nooit gedacht: nu weet ik het, ik word psycholoog.”

Jeroen Willems is een uitzonderlijk acteur. Zijn muzikale tekstbehandeling, opgedaan in de Hollandia-tijd, wordt vaak geprezen. Hij geeft een zeldzame klank aan de woorden; ritme, melodie – in zijn handen wordt het scenario een partituur. Hij heeft zijn stem mee, donker en warm, maar met een kras erop die de nodige levenspijn suggereert. Schor, hees. Hij kan vlijmen en knauwen. Fluweel of schuurpapier.

Dan is er die precieze jarenvijftigdictie; hoe hij de woorden proeft, voor in de mond, en ze bij het uitspreken met getuite lippen nog een zetje geeft. Zijn weloverwogen Nederlands is een gevolg van het Limburgs accent dat hij had, en zijn vastberaden pogingen om daar vanaf te komen. En zijn ongrijpbare uitstraling: even charmant als malicieus. Zijn mysterieuze blik; het onheilspellende oogwit, de zwarte pupillen die een peilloze diepte suggereren. Critici schrijven erover met ontzag.

Haat-liefdeverhouding met acteren

Maar zijn talent lijkt voor Willems soms eerder kruis dan zegen. „Ik heb een haat-liefdeverhouding met spelen. Ik heb vaak het gevoel dat ik het wel ken. Als freelancer word je niet uitgedaagd om nieuwe dingen te doen: het is makkelijker een bekende lade open te trekken: daar is iedereen dan toch wel weer van onder de indruk. Mijn kritische blik op mijn werk houdt me op dat soort momenten scherp. Ik vraag me voortdurend af: wat sta ik te doen? Is dit wat ik wil? Doe ik niet te veel hetzelfde? Als ik voldoende eigen projecten initieer, en genoeg films draai – film vind ik ook nog leuk – dan behoud ik de juiste balans. Maar haat-liefde zal het wel altijd blijven.”

Dat ligt ook aan zijn karakter, denkt hij. Streng voor zichzelf. Stijf van de zelfkritiek. Ambitieus, altijd ontevreden. „Het is nooit goed genoeg. Gekmakend kan dat zijn, ook voor collega’s. Die kunnen me soms wel sláán: Jeroen, het was wél goed! Ik kan heel moeilijk genieten van wat ik doe. Dat vind ik jammer. Ik heb me voorgenomen om er meer bij stil te staan hoe leuk het ook kan zijn.”

Leuk, dat is voor hem in elk geval iets anders dan een conventioneel toneelstuk, waarin de vierde wand een niet te overbruggen barrière is tussen spelers en publiek. „Dat is toch ongeloofwaardig? Ik kan er vaak niet meer naar kijken. Het mooie van theater is juist, dat je er op dat ene moment samen bent, jij en het publiek. Dat ga je toch niet negeren? Een concert erkent dat wel, dat is een veel directere vorm van communicatie. Als je het goed doet, kan iedereen in het publiek het gevoel hebben dat jij er speciaal voor hem bent.”

Dit jaar wordt Willems vijftig. Het maakt hem bewuster van de balans, bewuster van de dingen die hij nog wil doen. „Ik overweeg met enige regelmaat om me bij een gezelschap aan te sluiten. Het zou fijn zijn om weer eens bij een familie te horen. Maar helemaal overtuigd ben ik nog niet.”

Ouder worden, dat vond hij een tijdlang moeilijk. „Het is een omgekeerde beweging. Je bent gewend dat alles toeneemt, beter wordt: je wordt sterker, je leert bij, je kan meer, maar wanneer je ouder wordt gaat dat lichaam opeens iets anders doen. Puur het lichaam hè? Dan kan je plotseling minder, terwijl je niet minder wilt. Sinds mijn laatste verjaardag heb ik me ermee verzoend. Het is zo. Al kan ik niet begrijpen dat ik al vijftig word. De geest en het lichaam lopen niet synchroon.

„Wat ook nieuw is, is de gedachte dat mijn ik eindig is. Dat is ergens rustgevend, maar ook een gevaar. De gedachte dat je eeuwig bent en onsterfelijk, is heel belangrijk om het leven aan te gaan. Om door te zetten, om het ver te schoppen. Die andere gedachte kan dat in de weg zitten: ‘het houdt toch op, een doel is er niet’. Terwijl ik wel wil blijven streven.”

Als het aan hem ligt, is hij pas halverwege. „Ik wil nog drie nieuwe liefdes meemaken. In een aantal mooie films spelen. Een soulalbum opnemen – het liefst wil ik soul zingen, maar dat kan ik niet. Ik wil al heel lang zelf weer iets regisseren, dat mapje heb ik ook nog niet geactiveerd. En ik zou erg graag zelf ooit iets schrijven. Dat is iets wat ik echt niet durf. Ik denk altijd: ik kan de woorden niet vinden. Ook tijdens dit gesprek: ik kan niet die woorden vinden die ik zoek. Nee, ik ben er echt van overtuigd dat ik dat niet kan. En dus zal ik het waarschijnlijk wel doen.”