We onthouden niets, 'alles is alleen van mij zolang ik kijk'

Altijd dreef Wislawa Szymborska de spot met zichzelf. De poëzie nam ze wél heel serieus. De behoefte om haar eigen dichterlijk oeuvre uit te leggen had ze daarbij niet.

Haar grafschrift had ze allang klaar: „Hier ligt, zo ouderwets als komma en punt,/ zekere maakster van enige verzen”, begint ze nog vriendelijk om dan vervolgens onbekommerd oneerbiedig over ‘het lijk’ te spreken: „al verwarde het lijk traditie met avant-garde in haar praktijk”. Wislawa Szymborska is geen dichteres die zichzelf erg serieus neemt – steeds drijft ze de spot met gedichten, met eer, met menselijke waardigheid – en tegelijkertijd is ze een dichteres die de poëzie uiterst serieus neemt. Nam. Ze is nu een verleden tijd.

Ze leefde voor de poëzie en door de poëzie, maar wenste er beslist niet beroemd mee te worden. In de prachtige documentaire Einde en begin die John Albert Jansen een paar jaar geleden over en met haar maakte, vertelt de eigenares van een pension in Zakopane waar ze verbleef toen haar de Nobelprijs werd toegekend, hoe Szymborska toen ze dat nieuws hoorde verschrikt in de hoorn riep: „Nee, ik niet, ik niet!”

Het moet angstaanjagend nieuws geweest zijn voor iemand die Lof van de geringe eigendunk schreef of die een gedicht zo begon: „Mijn zuster schrijft geen gedichten/ en ik denk niet dat ze er nu opeens nog mee zal beginnen./ Dat heeft ze van moeder, die geen gedichten schreef,/ en van vader, die evenmin gedichten schreef.”

Szymborska had geen enkele behoefte haar eigen gedichten uit te leggen, ze deed niet meer dan ze voorlezen. Aan interviews had ze een hekel: „Ik heb lang geleden in een interview uitgelegd waarom ik geen interviews geef” zegt ze voor de camera van Jansen, en je kunt niet anders dan grinniken bij zo’n uitspraak die met pinkelende ogen gedaan wordt. Ze sprak niet graag over zichzelf.

Ook in haar gedichten niet trouwens. Anders dan de hierboven geciteerde regels misschien suggereren, is ze bepaald geen dichter die voortdurend zichzelf uitdrukt in haar poëzie, al doet ze dat natuurlijk ook weer wel. Maar niet door te zeggen wat zij meemaakt of vindt, maar door soms verhalend te zijn, soms beschouwend, door geen onderwerp uit de weg te gaan en daarbij het grote heel dikwijls te vertalen naar het gewone en alledaagse. Ze schreef een gedicht over de eerste foto van Hitler – ‘Wie is dat snoesje in dat babyjurkje toch?’ – over een terrorist die voor het café waarin hij een bom heeft geplaatst staat te kijken tot de bom afgaat, over een foto van 11 september, over dat er na een oorlog altijd iemand moet komen om de rommel op te ruimen, over verjaarscadeaus, kleren, gelukkige liefdes, over het toeval van één bepaald mens te zijn, levend op één bepaalde plaats „Om welke reden/ niet hiernaast of honderd mijl verder,/ gisteren of honderd jaar geleden/ zit ik hier […]?”

Szymborska twijfelt en stelt vragen en verandert iets in de hoofden van haar lezers. Heb je haar poëzie eenmaal gelezen en tot je door laten dringen, dan vertrouw je niet op veel meer, zonder daardoor gedesillusioneerd te zijn. Op de mensen niet, op de geschiedenis niet, maar ook heus niet op jezelf. Ons gebrekkige waarnemingsvermogen, ach, het is bijna vertederend. Gaan we op reis, onthouden we eigenlijk niets van wat we zien, schrijft ze, alleen flarden en brokstukken. We slaan niets echt nauwkeurig op in het geheugen, alles is „alleen van mij zolang ik kijk”. Heb je dat eenmaal gelezen, dan staar je op reis met extra intensiteit naar het licht op de reling van de boot, naar de grote deuren van de kathedraal, de olijfboom langs het geplaveide pad, maar in je zegt een stem zangerig „Geen sprietje behoud ik/ in zijn volle aanschouwelijkheid.”

Het is verbluffend hoe een dichteres uit het Poolse Krakau, een bescheiden en onopvallend leven leidend, zich bezig houdend met grappige stukjes voor bladen, rare collages, gedichten, ineens bijna de hele wereldbevolking bleek aan te spreken. Iedereen ging van haar gedichten houden. Ze bleken ook uiterst vertaalbaar (bij ons vooral door Gerard Rasch) ook al omdat ze niet rijmde en niet erg metrisch schreef. Vrije vormen laten zich veel makkelijker vertalen dan strenge. Haar taal moet, te oordelen naar de vertalingen, beslist niet verheven of bemoeilijkend, maar wel levendig en precies geweest zijn, en precies ook de mogelijke gedachten, de mogelijke ervaringen, verwondering en gretigheid van heel veel mensen verwoord hebben. „Leven – zeg ik, je bent mooi,/ je had niet rijker kunnen zijn,/ niet mieriger of meer bemereld.”

Van Wislawa Szymborska zijn drie bundels leverbaar: Einde en begin. Verzamelde gedichten (Vert. Gerard Rasch, Meulenhoff, 368 blz. € 17,50), Hier (Vert. Karol Lesman, De Geus, 43 blz. € 15,–) en Dubbele punt (Vert. Karol Lesman, De Geus, 39 blz. € 15,–). De documentaire Einde en begin van John Albert Jansen is te zien op hollanddoc.nl

Niets tweemaal Niets gebeurt tweemaal en niets zal tweemaal gebeuren. Geboren zonder kundigheden, sterven we dus als onervaren senioren. Ook al zijn we nog zo hardleers op de grote school van ’t leven, geen winter, geen zomer wordt ons nog een keertje opgegeven. Niet één dag keert ooit terug, twee nachten zijn nooit identiek, geen kus is als een andere, elke oogopslag is weer uniek. Gisteren noemde iemand plots in mijn bijzijn luid jouw naam – het leek alsof een rode roos naar binnen woei door het raam. Nu we samen zijn vandaag, haal ik mijn blik van je gezicht. Een roos? Hoe ziet een roos eruit? Is dat een bloem? Een steen wellicht? Onzalig uur, onnodige vrees, waarom bemoei jij je ermee? Je bent – je moet voorbijgaan. Je gaat voorbij – en alles is oké. Lachend en elkaar omhelzend verzoenen we ons met elkaar, ook al zijn we zo verschillend als twee druppels zuiver water.

Wislawa Szymborska: Roepen naar Yeti (1957), vertaling Gerard Rasch.

    • Marjoleine de Vos