Wat 2012 betekent voor 20 cultuurmakers

Dit jaar wordt spannend voor de kunsten. Om daarvan een goed beeld te geven volgt de cultuurredactie twintig instellingen van heel nabij. Vandaag stellen we ze aan u voor. Vanaf vrijdag 10 februari schrijven we wekelijks wat die twintig in 2012 overkomt. Het gaat over geld, maar vooral ook over de mensen en de kunst die ze produceren.

Voor de kunstsector staat veel op het spel in 2012. Dit is het jaar waarin de bezuinigingen van staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) harde werkelijkheid zullen worden. Het jaarlijks budget van nu nog zo’n 900 miljoen euro gaat met 200 miljoen omlaag. Op Prinsjesdag wordt bekend welke instellingen vanaf 2013 worden geraakt. Wie overleeft, wie vindt nieuwe manieren om door te gaan, wie moet stoppen?

Om deze grote veranderingen inzichtelijk te maken, gaat deze krant dit jaar twintig kunstinstellingen van nabij volgen. Van de Nationale Reisopera in Enschede tot De Toneelschuur in Haarlem. Van Museum het Princessehof in Leeuwarden tot het Limburgs Symfonieorkest in Maastricht. Zo willen we laten zien wat de gevolgen zijn van het kabinetsbeleid en tegelijkertijd een kijkje achter de schermen van het kunstbedrijf geven. Deze instellingen moeten illustreren en voelbaar maken wat er breed in de culturele sector gebeurt. Hoe de mensen dit jaar oplossingen proberen te vinden voor wat er op ze op afkomt en hoe ze blijven werken aan hun exposities, concerten, uitvoeringen.

Deze bezuinigingen zijn de grootste kunstbezuinigingen ooit. Hard geraakt worden de beeldende kunsten, zoals de elf presentatie-instellingen waarvan slechts zes hun structurele subsidie zullen houden. Ook de podiumkunsten moeten flink inleveren.

Musea worden relatief gespaard. Toch vechten ook zij voor hun bestaan. Zoals Meermanno, het ‘Huis van het boek’ in Den Haag, dat vorig jaar met een enorme campagne weliswaar net voldoende eigen inkomsten binnenhaalde om subsidie te mogen aanvragen (17,5 procent).

Bij de selectie waar nog geld aan wordt gegeven, kiest Zijlstra voor topinstituten zoals Het Nationale Ballet en De Nederlandse Opera. De Nationale Reisopera, die nu al weet dat hij buiten de structurele subsidie valt, weet ook dat er van de nu nog 100 mensen op 1 januari 2013 nog 10 over zijn. Ook alle 22 productiehuizen waar theater- en danstalent wordt ontwikkeld, weten al dat ze het voortaan moeten doen zonder structurele rijkssubsidie en dat brengt een aantal in de gevarenzone. Ook De Toneelschuur in Haarlem ondervindt de gevolgen.

Zijlstra bezuinigt bewust zo’n groot bedrag, omdat hij vindt dat de cultuur minder afhankelijk moet zijn van subsidie en zelf meer geld moeten verdienen. Hij vindt ook dat regionale overheden meer moeten betalen. In veel gevallen gebeurt dit al. Kunstvereniging Diepenheim in Twente bijvoorbeeld, een van de presentatie-instellingen uit de basisinfrastructuur, wordt ruimhartig ondersteund door provincie en gemeente.

Voor de verdeling van de gelden speelt mee dat regeringspartij CDA juist voor meer regionale spreiding van rijkssubsidies is. Dus het is nog geen gelopen race dat bekendere presentatie-instellingen in de Randstad, zoals Witte de With in Rotterdam, BAK in Utrecht of De Appel in Amsterdam, hun subsidies houden.

Zijlstra vindt dat er meer subsidie terecht moet komen bij „kunst en cultuur die in een museum of op de planken getoond wordt” dan bij ondersteunende functies. Dat betekent dat bijvoorbeeld het Muziek Centrum Nederland geen structurele bijdrage meer krijgt.

Niet alleen het Rijk, ook gemeenten en provincies bezuinigen. De helft kortte vorig jaar al op cultuur, dit jaar loopt dit aantal op tot 70 procent. Amsterdam bezuinigt 6,5 miljoen per jaar op cultuur (nog geen 10 procent). In Rotterdam, dat 14 miljoen euro bezuinigt op het cultuurbudget (zo’n 20 procent), ondervindt het O.T. Theater & Opera O.T. de gevolgen. In 1973 werd de instelling door Rotterdam uitgenodigd om zich te vestigen in de stad, nu is onzeker of ze nog kan voortbestaan. Net als de andere instellingen horen ze bij O.T. pas in de tweede helft van het jaar of en hoeveel subsidie ze krijgen.

Subsidie komt ook uit Europa. ITS Festival, het internationale theaterscholenfestival, ontvangt jaarlijks 100.000 euro uit Brussel wegens zijn ‘unieke rol’ in Europa als platform voor beginnende kunstenaars. Kunstruimte BAK in Utrecht krijgt nu 250.000 euro per jaar uit Duitsland. Maar de regels worden strenger. Buitenlands geld mag straks niet meer tellen als eigen inkomsten. Dat maakt het moeilijker om de drempel van 17,5 procent – vanaf 2013 zelfs 21,5 procent – te halen.

Er zijn instellingen, en trouwens ook vele kunstenaars, die geen overheidsgeld krijgen. De beste manier om niet gekort te worden op je subsidie, is deze nooit aan te vragen. Maar wie het zonder doet, merkt de gevolgen van het kabinetsbeleid. Iedereen stort zich nu op de markt van sponsoren en vrijgevige particulieren. Dat merkt bijvoorbeeld het particuliere Museum Beelden aan Zee in Scheveningen.

En het is helemaal niet zeker dat het blijft bij de 200 miljoen rijksbezuinigingen. Als het kabinet dit jaar meer gaat bezuinigen, wegens de economische crisis, is er geen garantie dat de kunsten ontzien worden. Tijdens een Kamerdebat in november liet Zijlstra al weten dat verdere kortingen niet zijn uitgesloten.

De kunstinstellingen zullen nieuwe manieren moeten verzinnen om het op lange termijn zonder of met veel minder subsidie vol te houden. De afgelopen maanden waren er allerlei initiatieven om op een andere manier aan geld te komen, zoals crowdfunding. Ook zijn de instellingen bezig de band met hun doelgroep, het publiek, te verstevigen. Op de kunstpagina’s van de krant zullen we deze nieuwe dynamiek in de kunstwereld vanaf volgende week vrijdag wekelijks in de rubriek 20 Cultuurmakers beschrijven.

    • Claudia Kammer
    • Birgit Donker