Toen ik 8 was... groeiden er ijsbloemen

In huizen zonder centrale verwarming groeien er in de winter ijsbloemen op de ruiten. Dan is het zo koud dat je ’s avonds je bed langzaam moet veroveren.

Vroeger, toen ik acht was, groeiden er nog ijsbloemen in woonhuizen, als het, net als nu, heel koud was. Nu zie je ijsbloemen vooral nog op autoruiten. Maar een halve eeuw geleden kwamen ze in koude winters ook voor op de binnenkant van huisramen. Dat komt doordat veel huizen toen nog geen centrale verwarming hadden met in elke kamer een radiator.

Ook ons rijtjeshuis in Weesp, waar ik met mijn ouders en zeven broers en zussen woonde, had alleen een kolenkachel in de huiskamer. Als het dan buiten min vijf vroor, verschenen er ’s nachts ijsbloemen op de ruiten van de zolder waar ik met mijn broer sliep. Ze waren gemaakt van onze adem. Altijd waren ze anders en altijd mooi. Meestal hadden ze veer-achtige patronen in een eindeloze variatie. Soms leken ze echt op bloemen.

IJsbloemen waren het enige voordeel van slapen op een onverwarmde kamer. Voor opstaan uit je warme bed moest je bijvoorbeeld al je moed verzamelen om de koude lucht in te gaan. Nog erger was naar bed gaan. Je bed was ’s avonds door en door koud en daar moest je dan in kruipen. Soms kreeg ik van mijn moeder een kruik met warm water mee. Maar meestal niet. Dan moest ik mijn bed veroveren. Ik ging er ineengedoken in liggen, als een foetus in een baarmoeder. Heel voorzichtig schoof ik centimeter voor centimeter mijn benen over en onder de koude lakens naar beneden. Zo duurde het lang voor mijn hele bed warm was.

Mijn broer Rob, met wie ik op zolder sliep, is zeven jaar ouder dan ik. Hij ging veel later naar bed. Maar in de ijsbloementijd had hij geen zin in het veroveren van zijn bed. Dan maakte hij mij wakker en vroeg of ik bij hem in bed kwam. Dat deed ik op één voorwaarde: dat ik niet terughoefde naar mijn eigen bed. Dat beloofde mijn broer altijd, en altijd geloofde ik hem. Achteraf weet ik niet goed meer waarom. Misschien was ik steeds te slaapdronken om goed na te denken.

Natuurlijk mocht ik nooit blijven. Altijd gebruikte hij mij als kruik en voelde ik zijn koude voeten. En altijd stuurde hij me na een uurtje weer terug naar mijn eigen bed dat weer koud was geworden. Dat vond ik dan niet eens zo erg: met zijn tweeën in een eenpersoonsbed slaapt toch niet echt lekker. Maar ik moest wel mijn bed opnieuw veroveren.