Spanje wil rechter niet zien graven in verleden

Voordat we alweer een ochtend opgesloten zitten in het Hooggerechtshof, duik ik met collega-correspondenten nog snel even El Supremo in. De bar tegenover het Madrileense gerechtsgebouw is de stamkroeg van journalisten die verslag doen van de vervolging van onderzoeksrechter Baltasar Garzón.

,,Ik schrijf me suf over die Garzón”, zegt een Franse collega. Een Duitse correspondent: „Het is dan ook wel een enorm schandaal, hè.” Maar, concluderen we, de buitenlandse pers is meer in Garzón geïnteresseerd dan de Spanjaarden zelf.

Garzón verwierf wereldwijd bekendheid met zijn pogingen de Chileense ex-dictator Pinochet te vervolgen. De pionier in de strijd tegen mensenrechtenschendingen zit nu zelf in de beklaagdenbank, wegens drie afzonderlijke aanklachten van ambtsmisbruik.

Mensenrechtenorganisaties betitelen zijn vervolging als een ‘juridische heksenjacht’ door Garzóns politieke tegenstanders. Maar op straat is de reactie op de processen tam. „Waar rook is, is vuur”. Of, cynischer: „Onze rechters deugen nu eenmaal niet. Goed dat ze elkaar nu de tent uit vechten.”

Zelfs linkse media, die Garzón een warm hart toedragen, doen nogal plichtmatig verslag. De Spanjaarden kunnen massaal demonstreren (bijvoorbeeld tegen de ETA), maar een betoging voor Garzón trok zondag maar een paar duizend man.

Het kan zijn dat het land met ruim vijf miljoen werklozen wel wat anders aan zijn hoofd heeft. Maar de stilte verraadt ook iets anders: een ongemak met het verleden.

Na de dood van dictator Franco, in 1975, besloten links en rechts het bloedige verleden te laten rusten. Garzón verbrak stoutmoedig dit onuitgesproken pact. Hij opende in 2008 een onderzoek naar de circa 114.000 gefusilleerde slachtoffers in de Burgeroorlog aan Republikeinse zijde, die nog in anonieme massagraven liggen. Het is een van de gevallen waarin hij wordt beschuldigd van ambtsmisbruik.

Waarom zijn jullie zo in de minderheid, vraag ik aan Raquel Estebán, een van de weinige pro-Garzón-betogers. „Spanjaarden kennen hun eigen geschiedenis niet, doordat we er zo lang over hebben gezwegen”, zegt de gesoigneerde dame in bontjas. De vrede tussen links en rechts was cruciaal voor de overgang naar de democratie, zegt ze. Maar nu moet Garzón eindelijk onderzoek kunnen doen. „We hoeven niet bang te zijn dat de twee Spanje’s weer tegenover elkaar komen te staan.”

Vicente Dalda, een zakenman die toevallig langsloopt als Garzón in zijn geblindeerde auto stapt, voelt niks voor het oprakelen van de geschiedenis. „Ik heb bewondering voor Garzón als onderzoeksrechter. Hij pakte terroristen en drugshandelaren aan terwijl zijn collega’s daar te laf voor waren”, zegt hij. Maar Garzóns onderzoek naar het franquisme ervoer Dalda als een klap in zijn gezicht. „Mijn eigen vader vocht in de Burgeroorlog – ik zeg niet aan welke kant. Maar hij schudde zijn rivalen na de dood van Franco de hand. Zand erover.”

Zand over het verleden, en vooral niet weer gaan graven. „We zijn nu echt een ander land dan in 1936. De geschiedenis herhaalt zich niet. We kunnen beter vooruitkijken.”

Merijn de Waal

    • Merijn de Waal