Sluit ’s winters wat stranden af voor verdwaalde zeehondjes

Goedwillende wandelaars willen jonge zeehondjes naar opvangcentra brengen. Maar opvang was niet nodig geweest als die wandelaars daar niet geweest waren, stelt Kees Camphuysen.

Over het nut van de opvang van zeehonden in Nederland wordt nu al jaren gediscussieerd, met wisselende intensiteit. Onlangs werd de huidige praktijk weer eens ter discussie gesteld, omdat er elk jaar meer verzwakte dieren naar opvangcentra worden gebracht. Het gaat goed met de beide soorten zeehonden en dus zijn er ook meer dieren die het af en toe niet redden. Maar voor het behoud van zeehonden is opvang niet meer nodig – dat is een mening die steeds meer mensen delen.

Vaak wordt bij dit soort debatten gesproken van voor- en tegenstanders van opvang. Zo werd ook het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) kortgeleden uitgenodigd om „als tegenstander van opvang” deel te nemen aan een debat in een radioprogramma. Hiervan hebben wij natuurlijk afgezien, omdat wij geen partij zijn in deze discussie. Men kan onderzoekers, ook die van het NIOZ, vragen of zij argumenten kunnen aanvoeren (feiten, gepubliceerd in wetenschappelijke artikelen of geanalyseerde gegevens) waarmee een debat gevoerd kan worden. Een mening geven kan iedereen, maar een kennisinstituut kan dat beter niet doen.

Bent u voor of tegen zeehondenopvang? Dat is voor het NIOZ een onzinnige vraag. Vragen die aan een kennisinstituut kunnen worden voorgelegd zijn van veel concretere aard. Bijvoorbeeld: draagt opvang van zeehonden in ons land bij aan het huidige populatieverloop? Wat zijn de populatie-effecten van het Deens/Duitse model (waar veel eerder tot euthanasie van aangespoelde, verzwakte zeehonden wordt besloten)? Zijn er risico’s verbonden aan grootschalige opvang van zeehonden, die eenmaal opgeknapt later weer met wilde soortgenoten in contact komen? Daarbij moet gedacht worden aan virussen en parasieten.

Hoe gaat het eigenlijk met zeehonden in Nederland? Eigenlijk doen beide soorten het behoorlijk goed. De populatie van de gewone zeehond blijft gestaag groeien, ondanks twee virusuitbraken (1988 en 2002), waarbij steeds ongeveer de helft het loodje legde. De grijze zeehond, die sinds de jaren tachtig in Nederland verscheen, neemt ook in aantal toe.

Het is dus een gerechtigde vraag of grootschalige opvang van verzwakte exemplaren voor de (Nederlandse) populatie nog echt noodzakelijk is. Een stormachtige winter maakt dat talloze zeedieren in de problemen komen. Veel jonge exemplaren sterven, een natuurlijk proces.

Er zijn onzekerheden, zoals over de oorzaak van longworminfecties. Daarover zou meer kennis verzameld moeten worden. Wanneer blijkt dat deze besmettingen een gevolg zijn van menselijk handelen, kan de bron wellicht worden opgespoord en aangepakt. Als die besmettingen een natuurlijk fenomeen zijn, dan ligt de discussie anders.

Een serieus punt van zorg, door weinigen aangevoerd, is dat het zeehonden in ons land zo goed als onmogelijk is gemaakt om rustig op het strand te liggen. Veel zogende moeders van de grijze zeehond (die haar jongen ’s winters krijgt) proberen een weggespoeld jong naar een andere ligplaats te volgen. Maar als dat niet op een verre zandbank is, denken goedwillende strandwandelaars al snel dat we moeten ingrijpen!

Creëer daarom extra rustgebieden in zo’n winters stormseizoen, sluit eens wat stukjes strand tijdelijk af. De aantallen in de opvang zullen al meteen kleiner worden.

Kees Camphuysen is onderzoeker aan het NIOZ te Texel.