Oké, blik omlaag nu

Terwijl ik in de supermarkt voor het koelvak sta en nadenk over de voordelen van ‘platte peterselie’ (1 euro 39) boven ‘peterselie’ (0,99), valt mijn oog op iemand voor me. Het is een man met donker haar, die nadenkend naar het vak met paprika’s staart. Ik ken deze man. Maar waarvan ook alweer? O jezus,

Terwijl ik in de supermarkt voor het koelvak sta en nadenk over de voordelen van ‘platte peterselie’ (1 euro 39) boven ‘peterselie’ (0,99), valt mijn oog op iemand voor me. Het is een man met donker haar, die nadenkend naar het vak met paprika’s staart. Ik ken deze man. Maar waarvan ook alweer?

O jezus, het is helemáál niet iemand die ik ken, het is Jeroen Spitzenberger!

Nauwkeurig bestudeer ik zijn gezicht: een vriend van vrienden die ik al op vijf verschillende gelegenheden heb ontmoet, die me waarschijnlijk zelfs een keer uitgebreid heeft verteld over zijn interessante baan bij een middelgroot architectenbureau en van wie het nu heel pijnlijk gaat zijn dat ik zijn naam ben vergeten? Misschien iemand van mijn middelbare school – zo’n gezicht dat je honderd keer in de stommelende massa naar de kantine hebt zien lopen, maar met wie je nooit meepraatte omdat hij in een veel hogere klas zat? Of is het zo’n geval dat hij gewoon werkt in een boekwinkel waar ik graag kom en ik hem hier tussen de groenten opeens niet meer kan plaatsen – alsof mijn hersenen het niet kunnen verwerken dat boekverkopers ook af en toe paprika’s kopen?

Inmiddels sta ik hem al een tijdje aan te kijken, wachtend op het moment dat hij zich ook omdraait en we een ongemakkelijk supermarktgesprek zullen beginnen, waarin ik er hopelijk binnen afzienbare tijd achter zal komen wie hij is. Dan draait hij zich inderdaad om, onze blikken kruisen elkaar en…

O jezus, het is helemáál niet iemand die ik ken, het is Jeroen Spitzenberger! Een BN’er. De man waar ik een hele Alles is Liefde lang een beetje dwaas glimlachend naar heb gekeken, die ik alleen maar dénk te kennen en die ik nu aangaap.

Oké, blik omlaag, strak naar de grond, trek een zakelijk gezicht, en hoppakee, snel naar de kaasafdeling. De hele supermarkttocht lang ben ik slechts bezig met: Jeroen Spitzenberger zo koel mogelijk ontwijken, Jeroen Spitzenberger geen blik waardig gunnen en Jeroen Spitzenberger negeren – gedrag dat je doorgaans reserveert voor mensen waar je een straatverbod voor hebt aangevraagd.

Het is een soort BN’er-compensatie-spasme: door de vergissing voel je je per ongeluk een soort groupie, iemand waarvan de BN’er denkt: godskolere, kan ik niet eens wat gele paprika’s afwegen zonder meteen psychotisch aangestaard te worden? Nu is aangezien worden voor een groupie een van de ergste dingen: als je helemaal geen groupie van die persoon wilt zijn, kan diegene zich onterecht vleien met jouw vermeende adoratie, en als je wél een groupie van iemand zou willen zijn, gaat er sowieso nooit meer iets gebeuren: wie neemt een groupie nou serieus? Deze misvatting wil je dus meteen rechtzetten – door geen énkele interesse meer te tonen.

Dit patroon zou toch te doorbreken moeten zijn. Gewoon beleefd naar iemand glimlachen, kort, vriendelijk. Ontspannen blijven. Iemand, nou ja, als gewoon mens behandelen. Mij lukt het alleen nog niet.

Dus als u beroemd bent, en iemand gedraagt zich opeens in uw nabijheid als een krampachtige hork, bedenk dan: het is goed mogelijk dat ze juist heel erg dol op u zijn.

    • Renske de Greef