Leven vol verwondering achter een sigaret en een glas cognac

Wislawa Szymborska was voor het grote publiek een onbekende toen ze in 1996 favorieten als Hugo Claus passeerde en de Nobelprijs voor Literatuur won. Ze had een klein oeuvre met een grote uitstraling: helder, speels, ironisch en met een kwinkslag.

Wislawa Szymborska in januari 2011 Foto Reuters

Het nut van interviews heeft de gisteren in haar slaap overleden Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska nooit ingezien. „Interviews gaan altijd over jezelf en over wat je doet. U weet, daar wil ik niet over praten”, zei ze op een van de weinige momenten dat ze een uitzondering maakte, in 2007 in haar woning, die getuigde van haar voorkeur voor kitsch en curiosa.

Liever praatte ze over een andere passie, het maken van collages, waarvoor ze alles gebruikte wat ze maar tegenkwam: plaatjes van apen, engeltjes, ballerina’s, neanderthalers, alles. „Als je schrijft ben je alleen, moet je je concentreren op je eigen gedachten, dan is handwerk een vorm van tot rust komen.”

Wislawa Szymborska (Kórnik, 1923) was voor het grote publiek een onbekende toen ze in 1996 favorieten als Hugo Claus passeerde en de Nobelprijs voor Literatuur won. Later zou ze klagen dat die prijs haar wel veel tijd had gekost. Dat kwam ook omdat de wereld haar speelse en vaak ironische poëzie dadelijk in de armen sloot – de Poolse werd een van de meest gelezen dichters ter wereld, en zeker ook in Nederland: de bloemlezing Uitzicht met zandkorrel werd een zeldzame poëziebestseller.

Wislawa Szymborska werd op 2 juli 1923 geboren als dochter van Wincenty Szymborski, beheerder van de Zakopaanse bezittingen van de Poolse graaf Zamoyski, en Anna Maria Rottermund, die 20 jaar jonger was dan haar echtgenoot. In 1924 raakte haar vader zijn baan kwijt en verhuisde het gezin naar Krakau, de stad waar Szymborska haar hele verdere leven bleef wonen. Daar besloot ze op achtjarige leeftijd een roman te schrijven. Daar studeerde ze Poolse taal- en letterkunde en sociologie, daar maakte ze de bezettingsjaren door, vreesde ze de Duitse en de Russische soldaat. Daar ook schreef ze in 1945 het eerste gedicht dat, in verkorte vorm, van haar werd gepubliceerd: „Ik wil dat een enkel woord/ met bloed doordrenkt zal zijn/ laat het als de muren van een stafcel/ iedere collectieve grafterp in zich sluiten.”

Na de oorlog, bij de eerste vergadering van de Poolse schrijversbond, ontmoette ze de grote Poolse dichter Czeslaw Milosz. Aan haar biografen Anna Bikont en Joanna Szczesna zou ze jaren later vertellen hoe ‘de aanblik van een vergeestelijkte dichter, een cherubijn die een varkenskotelet zat te eten’ haar verbijsterde.

Krakau werd hét centrum van het Poolse culturele leven, Szymborska was erbij en werd er uiteindelijk zelf het stralende middelpunt. Ze beschouwde de vrolijke culturele avonden als verzet tegen „de absurditeit van de Poolse politiek”, zei ze in 2007 in een interview met deze krant.

In 1948 trouwde Szymborska met de dichter en criticus Adam Wlodek en verhuisde ze naar een schrijverspand in het centrum. Buitenlandse beroemdheden kwamen bij hen langs, Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir bijvoorbeeld. „Hij stond daar met dat geheven vingertje”, vertelde Szymborska, „en zei dat we van Rusland af moesten blijven. Rusland was onze enige hoop, verkondigde hij. Daar moest ik toen al erg om lachen, hij wist niet eens waar Polen precies lag.” De Beauvoir vond ze toen „een soevereine, dappere vrouw. Ze was meer dan ‘de vrouw van’. Later kwam Graham Greene ook bij ons langs. Aan hem heb ik hartelijke herinneringen.”

In de jaren vijftig schreef Szymborska sociaal-realistische poëzie en ‘dichterlijke journalistiek’ vanuit een (tijdelijke) communistische overtuiging (‘Je koos het leven/ van een communist. En de toekomst/ wacht op jouw zeges’). „Ik behoorde tot een generatie die geloofde”, zei ze daar later over.

Szymborska was lange tijd poëzieredacteur bij toonaangevende weekbladen, zoals het weekblad Zycie Literackie (Het literaire leven). Meer dan 40 jaar schreef ze feuilletons over boeken, onder de titel Onverplichte literatuur. Het waren beschouwingen over de meest uiteenlopende zaken, van encyclopedieën en herbaria tot boeken over de natuur.

In de tussentijd ging ze door met het publiceren van gedichten, bijna 20 bundels in totaal – een relatief klein oeuvre met een enorme uitstraling. Toegankelijk zijn haar gedichten, helder, speels, ironisch en vaak met een kwinkslag, in Nederland prachtig vertaald door Ad van Rijsewijk (die vorig jaar samen met John Albert Jansen een mooie documentaire over haar maakte), Gerard Rasch en Karol Lesman. In de jaren negentig vielen haar grote internationale prijzen ten deel, de Goethe Prijs (1991), de Herder Prijs (1995), de Prijs van de Poolse PEN (1996) en ten slotte, in 1996 de Nobelprijs.

Ze moet een van de minst geïnterviewde Nobelprijswinnaars geweest zijn. De zeldzame keer dat ze een Nederlandse interviewer ontving, beweerde ze een goede kennis in Amsterdam te hebben: „Ik heb hem een paar keer opgezocht. U zult hem ook wel kennen: Vermeer! Die bewonder ik. Waarom? Ach, wat kunst met je doet kun je niet uitleggen. Die melk die daar al zo’n 300 jaar zo mooi uit dat melkkannetje stroomt, dat licht, die kleurrijke gordijnen...”

Achter haar ogenschijnlijke vrolijkheid, haar sigaret en haar glas cognac school een diep doorleefd besef van de existentiële tragiek. Daaraan gaf ze haar eigen vorm, in poëzie die een uitzonderlijk groot lezerspubliek bereikte. In de bundel Dubbele punt (2007) staat een gedicht over ouder worden en vergankelijkheid, ‘De oude professor’. Een oude man wordt gevraagd naar de tijd van vroeger, zijn vrienden, zijn gezondheid. ‘Zij verbieden mij koffie, wodka, sigaretten,/ het meedragen van zware herinneringen of voorwerpen./ Ik moet doen of ik het niet hoor,/ antwoordde hij. [...] Als het ’s avonds mooi weer is, kijk ik naar de hemel./ Ik blijf me verbazen’.

„Dat gedicht gaat over mijzelf”, zei Szymborska toen, „verwondering is de belangrijkste missie van de dichter.”

    • Margot Dijkgraaf