Kampioenen

Tweewekelijks schrijft Gerrit Komrij over internet in de krant. Meer op nrc.nl/komrij.

Hoera, de Nederlanders zijn weer ergens kampioen in. Volgens een officieel onderzoeksbureau dan. Als je het aan Nederlanders zelf vraagt kunnen ze alles beter, maar dat telt niet. Voetballen, boekhouden, baggeren, dichten, schaatsen, joden helpen onderduiken, overal zijn ze kampioen in. We zijn een onderschat volkje.

Maar soms zijn er bewijzen. Het onderzoeksbureau Semiocast heeft uitgerekend dat de Nederlanders met hun 5 miljoen Twitteraccounts de actiefste twitteraars van de wereld zijn. Van de wereld! Hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis?

Dat Nederlanders de grootste ouwehoeren van de wereld zijn, ik dacht het altijd al. Kletskous, dorpspomp, Brugman, tongriem, lulhannes, leutermajoor – oer-Hollandser woorden bestaan niet. Palaveren de Fransen dan niet? Kwekken de Grieken niet aan één stuk door? Zijn de Amerikanen geen oppervlakkige kwebbelkonten? Vast.

Maar twitteren is meer dan babbelen. Twitteren is babbelen met een uitroepteken. Babbelen als eenrichtingsverkeer, met een tut-tut hier en een sliep-uit daar, liefst op een kanseltoontje. Twitteren is hardop roddelen achter iemands rug, liegen of het gedrukt staat – kortom, alles waar Nederlanders, eeuwigdurende kampioenen, om bekend staan.

Het onderzoeksresultaat van Semiocast komt voor kenners van de Nederlandse volksaard niet als een verrassing. Maar er is meer. „Omdat veel mensen Twitter alleen gebruiken om anderen te volgen en zelf niets posten, heeft Semiocast ook gekeken naar dat percentage.... Ook dan staat Nederland bovenaan”, bericht de nieuwsdienst. Kampioen gluurders zijn we ook. De prekerige Nederlander deugt niet, maar de zwijgende Nederlander nog minder.

Naast Twitter is er Twitter-turbo: Facebook. Terwijl Twitter staat voor onze bemoeizucht, ouwewijvengeleuter en kijk-mij-eens-belangrijk zijn, vertegenwoordigt Facebook dat andere aspect van onze babbelmanie: het eeuwige vergaderen. Op Facebook zijn weerwoord, dialoog, groepsdiscussie, marktgedruis en jodenkerk mogelijk. Twitter is een commandopost, een vluchtheuvel, Facebook een kippenhok, een parlement.

Een tweet heet op Facebook deftig een statusupdate, maar er zijn essentiëler verschillen. De boodschappen kunnen langer zijn dan de kleuterachtige tweet-omvang, men kan bijval of afkeuring laten horen, groepsgewijs reageren en men kan, zich bewust van een publiek, in een ring gaan staan luchtboksen. Men kan zichzelf zijn, een ander of een hele roedel.

Op Facebook leer je mensen soms echt kennen. Je kunt er vrienden maken. Mensen kunnen er ongenadig door de mand vallen. Niet iedereen beheerst de kunst van het kletsen. Na een paar dagen Facebook heb je de zeurkousen, de alcoholici en de hoofden met piepschuim er haarfijn uit geplukt.

Facebook omringt je met warme liefde en kritiek. Op Facebook moet je tegen een stootje kunnen. Facebook biedt een keur aan accessoires en uitbreidingen van je actieradius. Kortom, het gaat er volwassener aan toe. Misschien zou je Twitter een autoped kunnen noemen en Facebook een Harley Davidson. Allemaal transportmiddelen binnen de kom van Leuterdorp en Kwaakstad, dat spreekt vanzelf. Toch zijn er Nederlanders die niet weten te kiezen tussen de beide verrukkingen. Niet echt een strijd tussen pleiners en dijkers, maar de keus heeft iets van een principekwestie.

Bert Brussen is recentelijk overgestapt op Facebook, hij voelde zich op Twitter een schreeuwlelijk worden. Alle Facebookers blij. Er zijn ook schrijvers die zich tot ex-Facebooker uitroepen, omdat ze te veel worden tegengesproken. Die teisteren intussen weer hun huisgezin.

    • Gerrit Komrij