Hun vrijheid wordt ons te duur

Waarom het Westen de revoluties in Bahrein en Syrië niet ziet zitten.

Midden-Oostendeskundige

Alaa Hubail is de nationale held van Bahrein. Hij is de beste voetballer van het kleine oliestaatje aan de Perzische Golf, en was tot voor kort de hoop op Bahreins succes in het WK van 2014 in Brazilië.

Maar Hubail speelt nu voor een klein onbekend clubje in Oman. Voor zover hij überhaupt nog kan spelen. Hij strompelt sinds hij zwaar is mishandeld. Hubail is niet de enige sterspeler van het nationale voetbalteam die door het regime is aangepakt. Bijna alle voetballers werden gearresteerd en worden tot op de dag van vandaag zonder duidelijke aanklacht vastgehouden. Niemand weet wat er met hen gaat gebeuren. De reden? Ze woonden een vreedzame demonstratie bij op de Parel Rotonde in de hoofdstad Manama, die het middelpunt vormde van de dagelijkse staatdemonstraties, uit protest tegen het grove geweld dat tijdens eerdere demonstraties was ingezet en waarbij vijftig Bahreini’s omkwamen. Ironisch genoeg had de kroonprins het recht op protest juist verdedigd. Hierdoor durfden veel meer Bahreini’s zich bij de protesten aan te sluiten. Het kwam hen duur te staan.

De staatsrepressie tegen ‘subversieve’ geluiden is niet alleen tegen voetballers gericht. Na de eerste golf van protesten en de daaropvolgende inval van Saoedische tanks op 14 maart 2011 om de orde in het kleine buurland te herstellen, zijn er meer dan drieduizend mensen gearresteerd, waaronder 64 atleten. Ze kregen gevangenisstraffen opgelegd die varieerden van 1 tot 15 jaar.

Tweeduizend ambtenaren zijn (al dan niet tijdelijk) uit hun functie ontheven. Honderden demonstranten werden voor militaire tribunalen gesleept. Daarnaast werden 178 van de beste artsen en medisch specialisten ontslagen – waaronder de enige plastische chirurg in het enige publieke ziekenhuis dat het land kent.

Bahrein telt slechts een half miljoen inwoners. Waar Tunesië, Egypte en Libië worstelen met hun postrevolutionaire status – en in Egypte de revolutie een jaar na dato nog steeds voortduurt – illustreert de situatie in Bahrein wat er gebeurt als de revolutie niet slaagt. De bevolking van het kleine eilandje is gegijzeld door het autoritaire bewind van Koning Hamad bin Isa Al-Khalifa en premier Prins Khalifa bin Salman Al-Khalifa. De laatste is de langstzittende niet-gekozen premier ter wereld en vormt tevens de belangrijkste aanleiding tot de protesten. De prins bekleedt het pluche al sinds 1971 en lijkt van plan dat tot zijn dood te blijven doen.

Tweederde van de Bahreini’s is sjiitisch. Ze worden geregeerd door een soennitisch koningshuis dat in stand wordt gehouden door het machtige buurland Saoedi-Arabië en z’n nog veel machtigere westerse bondgenoten.

De westerse media berichten amper over het golfstaatje en westerse politici houden zich stil. Er klonk nauwelijks protest toen de door Fransen en Amerikanen getrainde Saoedische keurtroepen het land binnenvielen en de sjiitische bevolking de duimschroeven flink aandraaiden.

De westerse onverschilligheid, of stille gedoogsteun aan het corrupte regime, heeft alles met haar geopolitieke belangen te maken. Als Bahrein in handen van de sjiitische meerderheid valt, neemt Iran effectief de macht over – zo stellen de Amerikanen. En dat is gevaarlijk. De Verenigde Staten hebben in Bahrein de grootste Amerikaanse marinebasis in de regio, die met het dreigende nucleaire gevaar van Iran alleen maar belangrijker wordt. Daarnaast is de basis ook essentieel voor een stabiele levering van olie aan het Westen. De Amerikaanse Vijfde Vloot bewaakt dag en nacht de Straat van Hormuz en daarmee de stabiele uitvoer van 50 procent van de olieproductie ter wereld.

Bahrein, Jemen en Syrië zijn voorbeelden van landen waar de Arabische Lente maar niet lijkt te lukken. Sowieso wordt er door velen steeds vaker over een ‘Arabische Winter’ gesproken. De monsterzege van islamitische partijen in Tunesië en Egypte, het geweld in Syrië en Libië en de anarchie van Jemen dammen de eerste golven van hoop en enthousiasme snel in. Maar de rauwe werkelijkheid is dat Europa en de Verenigde Staten in veel gevallen helemaal niet blij zijn met omwentelingen in de Arabische wereld en waar mogelijk dergelijke omwentelingen zelfs frustreren – zeker op het Arabisch Schiereiland dat het leeuwendeel van ’s werelds olievoorraad herbergt.

De Britten verkochten recentelijk nog voor tientallen miljoenen aan straaljagers en crowd control material aan de Saoediërs. Nederland leverde fregatten aan de sultan van Oman wat tevens de reden bleek waarom koningin Beatrix het land gewoon bezocht, ondanks het hardhandige optreden van de Omaanse veiligheidsdiensten tegen demonstranten en het totale verbod op vrije meningsuiting. Het Amerikaanse Congres stemt binnenkort waarschijnlijk positief over een wapendeal van 53 miljoen dollar met Bahrein.

Uit uitgelekte CIA-rapporten en onafhankelijk onderzoek van een door de Bahreinse overheid gefinancierde instelling bleek dat de demonstranten op de Parel Rotonde helemaal geen banden met Iran onderhouden. Er is geen enkele aanwijzing van financiële steun, of Iraanse inmenging. Het mag niet baten, de angst overheerst evengoed. Liever een bekende vriend dan een onbekende vijand, lijkt de gangbare gedachte van Europese en Amerikaanse politici. Diezelfde houding zie je ook terug in de westerse opstelling tegenover Syrië. Hoewel de druk op Bashar al-Assad nu geleidelijk wordt opgevoerd, hielden westerse overheden zich lang afzijdig. Zelfs Israël lijkt niet blij met een mogelijke val van zijn aartsvijand. Ieder ander bewind in Damascus zal waarschijnlijk een veel groter punt van de door Israël bezette Golan Hoogten maken. Afgezien van gezwollen taal en kleine routinematige grensschermutselingen die al decennia plaatsvinden, zag al-Assad af van een serieuze poging tot herovering van het gebied. Dat kan onder een andere regering weleens veranderen.

De Bahreini’s vroegen om het aftreden van de premier en sociale en politieke hervormingen. Nu leven ze in angst en onder nog veel zwaardere repressie. De koning heeft de teugels strakker aangehaald. De media zijn nog meer een spreekbuis van de overheid geworden, iedere leraar, arts of ambtenaar die enigszins sympathiek tegenover de demonstraties zou kunnen staan (omdat hij sjiitisch is bijvoorbeeld) wordt een werkzaam leven onmogelijk gemaakt. En het Westen staat erbij en kijkt ernaar, terwijl het cynisch lacht om die oh zo ‘koude Arabische winter’. Als de Bahreinse sjiieten nu niet juist in Iraanse handen worden gedreven, weet ik het ook niet meer.

Monique Samuel (1989) is een Egyptisch-Nederlandse politicoloog en auteur. Dit voorjaar verschijnt haar boek ‘Mozaïek van de Revolutie: een kijkje achter de voordeur van het nieuwe Midden-Oosten’.

    • Monique Samuel