Gras in tegenlicht

Willem Maris laat op zijn schilderijen de zon schijnen op jonge eendjes en kuddes kalveren. Ze zijn te zien in Den Haag, op het eerste Maris-overzicht sinds zijn dood in 1910.

Willem Maris, ‘Kalveren aan een poel’, 1863. Olieverf op doek, 36 × 62 cm. Foto Gemeentemuseum Den Haag

Het Gemeentemuseum in Den Haag bezit een van de mooiste verzamelingen schilderijen van de Haagse School, en in die collectie is Kalveren aan een poel (1863) van Willem Maris weer een van de mooiste schilderijen. Het is een scène in tegenlicht. Op een ochtend van vroeger, die net zo goed een ochtend van nu zou kunnen zijn, breekt de zon door een dikke, vochtige lucht. Zeven kalfjes lichten op in die zon, de witte natuurlijk het felst, en er liggen ook lijntjes licht op de hoed en het overhemd van een pijp rokende boer die, midden in het schilderij, melk uit een emmer in een drinkbak giet. Op de achtergrond glinsteren gras en koren in de zon, op de voorgrond liggen de scherpe schaduwen van boer en kalfjes in de modder en wordt het groepje weerspiegeld in een plas. In de donkere reflectie is het water mooi modderig van kleur: de kalfjes zullen er wel vaak in pootjebaden, en anders heeft het de laatste tijd veel geregend. Een ontroerend detail is het zwarte kalf dat van rechts komt aanlopen, onwennig, op dunne stelten. Dat lopen is duidelijk een nieuwe bezigheid in een nieuw leven. Er zit een grote opgetogenheid in dit schilderij.

Gelukkig hangt het momenteel weer op zaal in het Gemeentemuseum, als onderdeel van een geheel aan Willem Maris gewijde tentoonstelling. Het is het eerste monografische overzicht sinds de dood van de schilder in 1910. Min of meer chronologisch gehangen geven 127 schilderijen, tekeningen en aquarellen een goede indruk van zijn ontwikkeling. Kalveren aan een poel is, verrassend genoeg, een van de eerste werken. Ik had de rekensom nooit gemaakt, maar verdomd: Maris werd in 1844 geboren, het schilderij is van 1863 – hij was dus pas negentien toen hij het maakte. Ongelofelijk.

Iets minder verbazingwekkend wordt het als je bedenkt dat Willem, de jongere broer van de schilders Jacob en Matthijs Maris, al op heel jeugdige leeftijd met tekenen en schilderen begon. Rond zijn twaalfde was hij ’s morgens voor schooltijd al vaak aan de rand van Den Haag te vinden, waar hij studeerde op grasland, sloten en koeien. Tegen zijn twintigste was hij een behoorlijk volleerd schilder. Je kunt je voorstellen dat hij juist op die leeftijd gevoelig was voor zo’n tafereel in heiig ochtendlicht dat hem herinnerde aan een jeugd die, hoewel nog maar net voorbij, al heel lang geleden leek. Nu hij het vak beheerste, wilde hij wel eens proberen of hij die stemming, die adolescentengevoeligheid in een schilderij kon vertalen. Het is hem bewonderenswaardig goed gelukt. Iedereen die twaalf of twintig is geweest in het Hollandse polderland herkent wat Maris hier in verf vertelt.

De twee tegen elkaar aan schurkende kalfjes – zwart en wit – maakt hij rond dezelfde tijd nog los van de kudde in een vergelijkbaar warm tegenlichtschilderij. Daarna is dit soort zwaar zonlicht een kleine twintig jaar weg uit zijn werk. Tot begin jaren tachtig schildert hij vooral landschappen bij bewolkt weer, vergelijkbaar met die van zijn broer Jacob en zijn vriend Anton Mauve. Niet zo vreemd dat de Haagse School in deze beginjaren ook wel de grijze school werd genoemd.

Maar het grijs van Willem Maris werd niet gauw saai. Het was, in de woorden van de schilder en criticus Jan Veth, nog altijd ‘bloeiend grijs’. In zijn druilerige landschappen hangt eenzelfde weemoed als in zijn vroege tegenlichtschilderijen, eenzelfde romantische tinteling van: ik, nu, op dit moment van de dag, hier buiten, alleen in weer en wind. Maar dan met kale takken en frisse lucht.

Begin jaren tachtig breekt eindelijk de zon weer door het grijs, om te schijnen op koeien en later ook op eenden langs de slootkant. Dat zijn zo ongeveer Maris’ enige onderwerpen. Zoals Mauve kuddes schapen leverde op bestelling, zo kwam Willem Maris altijd met zonovergoten koeien of eenden aanzetten. Je herkent ze uit duizenden en ze waren – misschien daarom – zeer in trek bij kunstverzamelaars. Toch kwam zijn beperkte repertoire hem ook wel op kritiek te staan. Daar verweerde hij zich dan tegen met de beroemd geworden uitspraak: ‘Ik schilder geen koeien, maar lichteffecten.’

Borstelige vacht

In werkelijkheid schilderde hij natuurlijk koeien én lichteffecten. Tegelijkertijd. In één beweging. Met verfstreken in allerlei gradaties wit beschreef hij de lichtval op de rug van een koe, maar meteen ook het volume van zo’n beest en de textuur. De borstelige vacht. Of bij een eend het verendek. Maris boetseerde met geschilderd licht.

Op latere leeftijd durfde hij dus nog (of weer) wat hij als jongeman ook durfde. Schilderen wat haast niet te schilderen valt. Tegenlicht, warmte, de dikte van zondoorschenen lucht. En misschien zelfs iets van het gevoel dat die lichteffecten in je losmaken. Sterker: hij durfde dat later nog losser, nog vrijer aan te pakken dan op zijn twintigste, en bovendien op een groter formaat. Want losjes en suggestief doen op een klein doekje, dat kan wel, maar dat moet dan toch in kleine gebaren en met kleine penselen. Echt nieuw en gewaagd was het – althans rond 1880 – om twee moedereenden met jonkies veel meer dan levensgroot te schilderen, op een doek van ruim een meter breed. Een groot atelierstuk met het onderwerp en de schetsmatige stijl van een kleine buitenstudie.

De kleine eendjes in dat grote schilderij zijn precies zo vlug geschilderd als ze zwemmen en hebben daardoor dezelfde onopvallendheid als in werkelijkheid. Eerst zie je de oogverblindend witte moedereenden. En dan, kijk nou toch: er zitten twee kuikens achter! Kleine gele eendjes in het hoge gras. Vervolgens klinkt er nog meer gepiep en komen er in de beschaduwde sloot nóg twee aanzwemmen, veegjes gedempt geel die maar net genoeg babyeend voorstellen. Daarna sta je, net als in het echt, nog een tijdje achter het riet en in de schaduwen te zoeken naar een vijfde jonkie dat er niet is. Of...?

Aan dat riet en die schaduwen alleen is trouwens al genoeg te beleven. Een paar vette vegen wit met groen zijn zo trefzeker in het donkerbruin getekend dat je ze niet anders kunt begrijpen dan als bladeren aan een stengel riet, die door het zonlicht uit de schaduw worden losgetrokken. Door het contrast snap je ook dat het veegje eend vlak daaronder in de schaduw zwemt.

Als de vorm zo vluchtig is, komt het erg op de juiste kleur en toon aan. Wil je met zo weinig verfstreken zo veel oproepen, dan zul je ze precies goed moeten plaatsen. En dat kon Willem Maris. Hij was virtuoos in de beste zin van het woord. Zijn grote gebaren waren geen loze bravoure, ze waren hartstikke raak. Met een paar vegen van het goede groen en een paar donkere accenten voor het contrast maakte hij al overtuigend gras in tegenlicht. Door dun geschilderde, spiegelende waterpartijen trok hij soms een streep dikke witte of felgroene verf bij wijze van drijvende algenlaag, die nog zonlicht vangt ook. Een enkel wit sliertje in een warme bruine partij is een veelbetekenend lichtrandje langs een koeienkop in de schaduw.

Goed, Willem Maris maakte verkoopbare schilderijen van weiden en sloten, vee en eenden. Maar hij deed dat als de beste. Hij permitteerde zich een heel vrije schildertrant en maakte daarmee dat het zomer werd in zijn werk. In de beperking toonde hij zich een grootmeester.

Willem Maris. Impressionist van de Haagse School. T/m 9 april in het Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, Den Haag. Inl: www.gemeentemuseum.nl

    • Gijsbert van der Wal