Dualiteit van behoeften

‘Als het gaat om het beoordelen van anderen, dan moet ik bekennen dat ik boordevol vooroordelen zit. Niet alleen rationeel, maar juist op gevoelsniveau. Binnen een luttel moment beoordeel ik of ik iemand mag of niet, beoordeel ik of ik iemand of een situatie vertrouw of niet. Wat ik hier zeg betrek ik op mijzelf, maar het geldt vrijwel voor ieder mens. Of ik nu deskundig ben op een bepaald terrein of niet, mijn denken en voelen levert een eindeloze reeks snelle vooroordelen op.”

Het is niet vaak dat iemand zo eerlijk over zichzelf oordeelt, en dan nog in het openbaar. En wanneer het iemand is die een hoge functie bekleedt, is het helemaal uitzonderlijk. De geciteerde woorden zijn van dr. A.F.M. Brenninkmeijer, sinds 2005 de Nationale ombudsman. Hij sprak ze uit in de Burgemeester Dales Lezing, die hij op 20 januari in Nijmegen hield en waarvan een verkorte versie daags daarna in deze krant verscheen.

Het is natuurlijk waar wat Brenninkmeijer zei. Niemand is zonder vooroordelen. Die hebben we meegekregen van huis, van het milieu waarin we opgegroeid zijn, van school of universiteit. Wie godsdienstig opgebracht is, blijft daar de sporen van dragen, ook als hij zijn godsdienst afgezworen heeft. Is hij een politieke gezindheid toegedaan, dan bepaalt dat ook zijn eerste reacties.

Want daar gaat het om: de eerste reacties of het „luttel moment” waar Brenninkmeijer van spreekt. Op zichzelf zijn die eerste reacties, die vooroordelen niet erg. Ze worden dat pas wanneer we ons daardoor laten leiden, wanneer we onszelf de gelegenheid niet gunnen even na te denken. En dat doen we niet altijd.

De titel die Brenninkmeijer zijn lezing gaf, luidt: ‘Ik en de ander’. Zij gaat dan ook over discriminatie, die krachtens artikel 1 van de Grondwet „niet toegestaan” is. Maar gaat dat artikel ook over de gelijkheid van mensen, zoals hij stelt? Ja, voor de wet is ieder gelijk, maar in werkelijkheid verschillen de mensen sterk van elkaar. Die verschillen worden ook in een democratie gerespecteerd. Daarin zijn de mensen dus niet gelijk, maar gelijkwaardig.

Brenninkmeijer zegt het zelf, maar anders: „Godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht en seksuele gerichtheid raken de kern van iemands identiteit, en die identiteit is hoofdzakelijk een gevoelszaak. Daar verandert onze grondwet weinig aan”, want niet iedereen is gelijk in godsdienst, levensovertuiging en de andere kenmerken die hij noemt. Ja, de titel ‘Ik en de ander’ geeft al aan dat de mensen niet gelijk zijn. Ik en de ander hebben twee verschillende identiteiten.

Een identiteit vormt zich juist in contrast met de ander. De ander is dus nodig voor mijn identiteit. Dat contrast hoeft niet vijandig te zijn, maar kan dat wel worden. Het wordt gecompenseerd door de behoefte van het ik aan gemeenschap, waarvoor hij de ander juist nodig heeft. Brenninkmeijer spreekt hier van de „dualiteit van individualiteit en gemeenschappelijkheid”. „Ieder mens is uniek en heeft behoefte om als mens erkend te worden”, maar hij heeft ook behoefte om in gemeenschap te leven.

In het ene geval heeft hij de ander nodig als contrast, in het andere geval om er een gemeenschap mee te vormen: een seksuele of sociale. „Mensen hebben vijanden nodig, net zoals ze geliefden nodig hebben”, zei de schrijver Hans Keilson in een interview in De Groene van 26 mei 2011 (vijf dagen voor zijn dood op 101-jarige leeftijd).

Maar Brenninkmeijer heeft het niet over de seksuele, maar over de sociale gemeenschap, en dan hebben we het over de wij-zijverhouding. Een ‘wij’ heeft ook een ‘zij’ nodig om ‘wij’ te zijn, een identiteit te hebben. Maar toch is die wij-zijverhouding wezenlijk anders dan de ik-anderverhouding, want de behoefte van de enkeling aan gemeenschap met de ander wordt niet teruggevonden in de gemeenschap zelf, wanneer die eenmaal is ontstaan. Immers, door het ontstaan van de gemeenschap is bij degenen die haar vormen, de behoefte aan vereenzelviging sterk afgenomen, zo niet opgeraakt.

Dat betekent dat een staat niet, zoals een enkeling, gedreven wordt door de behoefte zich met een andere (staat) te verenigen. „Er is nog nooit een staat door een echt, dat wil zeggen van alle kanten vrijwillig contract (inter volontes) tot stand gekomen. Ook in de toekomst zal dit niet gebeuren”, schreef de Zwitserse Huizinga, Jacob Burckhardt. Slechts geweld of dreigend geweld kan staten ertoe brengen zich tot één staat te verenigen.

De internationale implicaties van het wij-zijdenken vielen buiten het bestek van Brenninkmeijers lezing. Ze worden hier dan ook als een soort toegift vermeld, maar zijn net zo belangrijk voor de internationale samenleving als de gevolgen ervan voor de nationale. Ja, ze zouden weleens de eigenlijke oorzaak kunnen zijn van het onvermogen dat de Europese staten tot nog toe hebben getoond een politieke eenheid te vormen.

    • J.L. Heldring