Alles mono, maar van kwaliteit

In de rubriek Verdwenen bespreekt Rob Biersma (bijna) verdwenen voorwerpen. Vandaag: de draadomroep. „Een grijs gemoffelde luidspreker met goudkleurig rooster.”

De draadomroep of radiodistributie was een dienst van de PTT waarmee je storingsvrij radio kon ontvangen. Voor de Tweede Wereldoorlog waren particulieren er al mee begonnen om radiosignalen met een elektrische draad aan anderen door te geven, meestal tegen betaling. Een radiotoestel was prijzig en voor een behoorlijke ontvangst was een goede antenne nodig. En dan nog werd de ontvangst vaak gestoord door de ‘Mexicaanse hond’, een jankend geluid dat je de lust tot verder luisteren al gauw benam. Het verschijnsel, dat vooral op de middengolf optrad, was het gevolg van een ander toestel in de nabijheid dat op dezelfde golflengte was afgestemd en dat opnieuw als zender optrad. Vooral bij veelbeluisterde programma’s was je steeds bezig de Mexicaanse hond met de afstemknop weg te draaien. Radio’s kraakten en zoemden toen nog door ‘niet-ontstoorde’ elektromotoren, zoals stofzuigers en trams. Met de draadomroep had je daar allemaal geen last van.

In 1943 gelastte de bezetter dat alle draadomroepen bij de PTT werden ondergebracht. Losse radiotoestellen moesten worden ingeleverd. De radiodistributie werd onderdeel van de Duitse oorlogspropaganda.

Ondanks deze valse start werd de draadomroep na de oorlog een groot succes. Het was vooral de simpelheid die aansprak. Met één knop kon je kiezen tussen Hilversum 1, Hilversum 2 en twee buitenlandse zenders, meestal muziekprogramma’s die door de PTT werden geselecteerd. Met de andere knop regelde je het volume. Alles mono, maar redelijk van kwaliteit.

De meeste abonnees kregen in de huiskamer een grijs gemoffelde luidspreker met een goudkleurig gegolfd rooster. De zenders koos je met een schakelaar die ronddraaiend kon kiezen tussen 1-0-2-0-3-0-4-0-1- enzovoorts met daaronder de volumeknop. Andere abonnees hadden een apart versterkerkastje met radiobuizen die ‘eerst warm moesten worden’, als je de versterker aanzette.

Met de draadomroep kon de PTT nagaan naar welke zenders het publiek luisterde. In de jaren vijftig werd dat een enkele keer gedaan. De meeste luisteraars bleken aan Hilversum 1 en 2 genoeg te hebben; de twee buitenlandse zenders vonden nauwelijks aftrek. Populair waren voetbalverslagen, het nieuws van zes uur, programma’s als de Familie Doorsnee, de Bonte Dinsdagavondtrein en detectivehoorspelen van Paul Vlaanderen. Na elf uur ’s avonds luisterde vrijwel niemand meer.

Anders dan tegenwoordig, nu de radio vooral op automobilisten is gericht met filemeldingen en flitspalen, waren de programma’s bedoeld voor de huiskamer. De dag begon met Ochtendgymnastiek (‘Staat u allen klaar? De rechterhand op de heup, de linkervoet licht voorwaarts...’). Kleutertje Luister voor de kleintjes (‘Hallo kindertjes van het hele land!’) Voor de huisvrouw waren er programma’s waarvan de bekendste was De Groenteman (‘Chachacha, wat zullen we eten? Chachacha, wie zal dat weten? Wie is de man die mij dat zeggen kan...?’) De Waterstanden (‘medegedeeld door de Rijkswaterstaat’) op dicteersnelheid (‘Koblenz... tweehonderveertien...plus acht’). En ’s avonds voor het slapengaan was er Het klokje van zeven uur en dus... met verhalen over Koning Kaskoeskiliwan of met Paulus de Boskabouter van Jean Dulieu.

Met de komst van de storingsvrije FM en commerciële zenders als Radio Luxemburg en Veronica werd de draadomroep in de jaren zestig weggevaagd. In 1975 viel het doek.