Vreemd beest in oorlogstijd

Steven Spielbergs nieuwe film War Horse is een fabel met de Eerste Wereldoorlog als decor. Het ware verhaal over de oorlogspaarden leer je op de tentoonstelling War Horse: Fact & Fiction in Londen.

Britse cavaleristen rusten met hun paarden tijdens de Eerste Wereldoorlog Foto’s National Army Museum Londen

Er vloeit geen druppel bloed in War Horse, de nieuwe film van Steven Spielberg over een Brits paard dat in de Eerste Wereldoorlog aan het front moet vechten. Joey, zoals de vierbenige hoofdrolspeler heet, voert charges uit, rent dwars door loopgraven, springt over tanks en raakt uiteindelijk verstrikt in het prikkeldraad van no man’s land. Maar diepe vleeswonden of uiteenspattende lichaamsdelen krijgen we niet te zien. De heftigste verwonding is de open drukplek die het paard oploopt aan het begin van de film – Joey is dan nog een jonge volbloed die opgroeit op een boerderij in Devon. Heroïsch ploegt hij samen met de jonge boerenzoon Albert een rotsig knollenland om, tot beiden van vermoeidheid ineenzijgen.

War Horse is in de eerste plaats een kinderfilm, zoals ook het boek van Michael Morpurgo waarop Spielberg zich baseerde een kinderboek is. De Amerikaanse regisseur heeft er een honingzoet sprookje van gemaakt, een fabel met de Eerste Wereldoorlog als decor. War Horse is een film die voortdurend baadt in warm avondlicht en die gebukt gaat onder de dramatische muziek van John Williams. De paarden zien er weldoorvoed en glimmend uit, ook nadat ze maanden door de Franse blubber hebben moeten sjokken, met loodzware kanonnen of watertanks achter zich aan. En de filmpaarden acteren net wat te overdreven dat ze kreupel zijn of door hun hoeven zakken. Niet vaak heb ik een paard zo vaak opstandig zien steigeren als Joey in War Horse.

Misschien is het ook wel goed dat Spielberg ons behoed heeft voor de ware horror van de Eerste Wereldoorlog. De gruwelijke werkelijkheid is dat er tussen 1914 en 1918 zo’n zes tot acht miljoen paarden gestorven zijn op en rond het slagveld. Vele van hen werden overhoop geknald door machinegeweren of granaten. Sommige leden aan schurft of koliek, andere aten door mosterdgas vergiftigd gras. Maar de meesten gingen dood door de kou, de hitte, het gebrek aan voedsel en, vooral, door algehele uitputting. Je hoort het een van de Duitse soldaten in War Horse zeggen als hij weer een nieuw stel paarden voor een kanon spant: „Deze zien er sterk uit, die houden het wel een maand of twee vol.”

De gemiddelde levensduur van een paard in de Eerste Wereldoorlog was vijf weken. Het is een van de harde feiten die je leert op de tentoonstelling War Horse: Fact & Fiction die het Londense National Army Museum rondom de première van de film heeft gemaakt. Naast de originele kostuums uit de film zijn op deze educatieve collectiepresentatie vooral foto’s en voorwerpen te zien die de verhalen over de echte oorlogspaarden vertellen. In vitrines liggen originele soldatenhandleidingen die nauwgezet uiteenzetten hoe paarden in oorlogstijd verzorgd moesten worden. („Wrijf iedere dag de oren schoon en reinig de neusgaten met water en azijn.”) Je krijgt te zien hoe de paarden opeen werden gepakt in treinen en boten, je hoort het kraken van het ruim. En je leest de meest onvoorstelbare details. Zoals dat de paarden tijdens de eerste oorlogsjaren om hygiënische redenen geschoren werden. En dat het tot 1918 duurde voordat het Britse leger inzag dat ze daardoor in de wintermaanden bij bosjes van de kou stierven.

Toen de oorlog begon, had het Britse leger slechts 25.000 paarden ter beschikking. In 1914 werden daarom massaal paarden gevorderd of gekocht van hun Engelse eigenaar – 469.000 in totaal – zoals in de film ook met Joey gebeurt. Omdat ook dat lang niet genoeg was, werden later nog eens duizenden paarden en muilezels in Amerika gekocht. Die kwamen na een zeereis van enkele weken aan in Southampton en werden dan doorgestuurd naar het Europese vasteland, waar ze met hangmatten uit de schepen gehesen werden. Driekwart werd ingezet als trekpaard en moest zorgen voor de bevoorrading van de troepen. Zij sleepten het wapentuig aan op plekken waar trucks niet konden komen. En ze trokken, net als Joey, de ambulances waarmee de gewonden van de frontlinies naar de veldhospitalen vervoerd werden.

Andere werden gezadeld en kregen een jonge, vaak onervaren soldaat toegewezen. „We hebben tijdens onze korte opleiding in Engeland geleerd hoe we de paarden moesten verzorgen”, zo is te lezen in een brief van een 19-jarige Britse soldaat. „We moesten eerst de dieren voeren en borstelen voordat we aan het eind van de dag aan onszelf mochten denken.” Tijdens de lange marsen over het Franse platteland ging dat nog wel. Maar aan het front bleek het vaak onmogelijk om de dieren van voldoende voedsel en zorg te voorzien. „Wij lijden”, schreef dezelfde soldaat aan zijn familie, „maar de paarden lijden nog meer.”

Nog zo’n feitje dat in Londen te lezen is op de muren van de expositie War Horse: Fact & Fiction: van de 1.183.228 Britse paarden die in de oorlog dienden, stierven er 484.000.

Ontberingen

Natuurlijk wordt in Spielbergs film wel iets van die ontberingen getoond. Je ziet de paarden, hun knieën kapot, bezwijken onder het gewicht van hun last. En als de soldaten hun loopgraven verlaten, zie je de ratten door de tunnels racen – ratten die niet alleen het brood van de soldaten maar ook de haver van de paarden opaten, met vreselijke voedseltekorten tot gevolg. Maar dat de oorlogspaarden zo’n honger hadden dat ze elkaars staarten kapot knaagden of eindeloos op hun zadeldekens kauwden, dat krijg je in War Horse niet te zien. De geur van angstzweet, mest en bloed laat zich nu eenmaal niet tot het filmdoek vertalen.

In de mooiste en heftigste scène uit War Horse is te zien hoe aan het begin van de oorlog de Britse cavaleristen in alle stilte in een korenveld opstijgen, hun hoofden maar net boven het maaiveld uitstekend. De stap wordt een rustige draf, gaat over in galop, en dan wordt met volle vaart een Duits kampement bestormd. Maar niemand heeft gerekend op de machinegeweren die vanuit het bos hun kogels afvuren. Het ene moment zitten de ruiters nog fier in het zadel, hun sabels strak vooruit gestoken. Het volgende moment filmde Spielberg de los rennende paarden die met oplichtend oogwit tussen de bomen door schieten. Om vervolgens uit te zoomen op het slagveld dat, zo ver als het oog reikt, vol ligt met kadavers.

In Spielbergs versie van de Eerste Wereldoorlog liggen ze er net wat te sereen en stil bij, deze paardenlijken. In werkelijkheid moet het gekrijs van de gewonde paarden oorverdovend zijn geweest, een geluid zo heftig dat mee gereisde dierenartsen op een gegeven moment besloten de stembanden van de dieren preventief door te snijden. „Ik wist niet dat paarden konden gillen”, schreef een frontsoldaat. „Maar ze kunnen het. Er was een bloedbad. Engelsen, Duitsers en dieren, dood of stervende. Ze lagen overal.”

Nog onwaarschijnlijker is de scène waarin Joey voor het eerst oog in oog komt te staan met een tank. Hij kan geen kant op, is rondom omgeven door prikkeldraad. Maar in plaats van weg te rennen, zoals ieder normaal paard zou doen, gaat dit oorlogspaard in de verdediging. Hij bokst met zijn voorbenen in de richting van het ratelende monster, en duikt er dan met een verbijsterende hink-stap-sprong overheen.

„Paarden zijn gemaakt om te vluchten voor gevaar”, zegt een Duitse soldaat even later, nadat hij Joey heeft bevrijd uit het prikkeldraad van no man’s land. „En wij leren ze precies het tegenovergestelde. Oorlogspaard, wat een vreemd beest ben je geworden.”

Paardenpsyche

Dan is het boek War Horse, dat Michael Morpurgo in 1982 schreef vanuit het perspectief van het paard, een stuk geloofwaardiger. Morpurgo is duidelijk een echte paardenman, die zich goed in de paardenpsyche kan inleven. Hij beschrijft, via Joey, hoe het moet zijn geweest om als paard de ene na de andere strijdmakker te zien vermageren en sterven. „Het voedsel werd schaarser. Tegelijkertijd leken de gevechten heviger te worden en moesten we langer en harder werken; we hadden permanent pijn en we hadden het permanent koud. Iedere dag eindigden we met een koude laag druipende modder over ons heen die ons tot op het bot deed verkleumen.”

Morpurgo weet wat modder met een teer paardenbeen doet, als hij schrijft: „Weinigen van ons hadden nog haar groeien op onze onderbenen en de huid daaronder zat vol met gebarsten zweren. Net als alle anderen voelde ik bij iedere stap die ik nam een ongelofelijke pijn, vooral in mijn voorbenen, die vanaf mijn knieën tot mijn hoeven vol kloven zaten. Er was geen paard in het team dat niet kreupel liep.”

De auteur kwam dertig jaar geleden op het idee voor zijn boek toen hij in een pub in zijn woonplaats Iddesleigh een veteraan uit de Eerste Wereldoorlog hoorde praten over zijn paard. Met betraande ogen vertelde deze ex-soldaat hoe het dier hem gedurende de hele oorlog had bijgestaan. Morpurgo was diep geroerd door de verhalen, zo zei hij onlangs in een interview met de Britse krant Daily Mail. „Die veteraan zei: ‘We waren allemaal zeventien of achttien jaar oud. We waren allemaal doodsbang, maar niemand durfde aan zijn angst toe te geven. De enige persoon met wie ik echt kon praten – over mijn familie, mijn moeder, de angst om dood te gaan – was mijn paard. ’s Nachts zocht ik hem op, gaf hem voer, aaide zijn hals en praatte in zijn oor… en dat paard luisterde.’”

Niet lang daarna zag Morpurgo op zijn eigen zorgboerderij in Devon hoe een ernstig stotterend jongetje een compleet ander mens werd in het bijzijn van zijn Haflinger-merrie. „Hij praatte met dat paard, voorhoofd tegen voorhoofd, over wat hij die dag beleefd had. De woorden vloeiden zonder haperingen uit zijn mond. En het paard luisterde. Ze wist dat ze zich niet bewegen moest. Ze moest daar blijven, bij hem – omdat dat is wat vrienden doen.”

Die historische band tussen man en paard, dat is het ware thema van War Horse. Duizenden jaren al strijden ze samen in de oorlogen van de wereld; twee hoofden, vier ogen, zes benen. Ze hielden elkaar warm, sliepen samen in de modder, sleepten elkaar door de ellende heen. Zo’n band gaat diep, zo blijkt ook uit War Horse. Jaren zijn ze van elkaar gescheiden geweest, Albert en Joey. Maar als ze elkaar aan het eind van de oorlog in een oorlogshospitaal weer treffen, herinnert Joey zich nog altijd het uilenfluitje waarmee Albert hem als veulen riep. Een dramatische herenigingsscène volgt, met een menigte die voor het tweetal uiteenwijkt als in een ouderwets Hollywood showballet.

Met Joey komt het, uiteraard, weer helemaal goed. Hij overleeft de oorlog en mag met Albert mee terug naar Engeland, alwaar hij bij ondergaande zon als silhouet richting zijn geboortegrond stapt. Voor de echte oorlogspaarden liep het helaas slechter af. Van de ruim één miljoen Britse paarden die overzees dienden, kregen er slechts 62.000 een bootticket terug naar huis – met name de privépaarden van de officieren. De rest werd, na jaren van trouwe dienst, bij opbod verkocht als werkpaard of, nog erger, aan de Franse slager.

‘War Horse’ draait vanaf morgen in de Nederlandse bioscopen. De tentoonstelling ‘War Horse: Fact & Fiction’ is t/m augustus 2012 te zien in het National Army Museum, Royal Hospital Road, Londen. Inl: www.nam.ac.uk

    • Sandra Smallenburg