Vestia vergaloppeert zich

De financiële ontsporing van de grootste Nederlandse woningcorporatie Vestia zal het kabinet bevestigen in zijn recente principebesluit dat corporaties driekwart van hun huurhuizen ter verkoop moeten aanbieden. Wie nog dacht dat woningcorporaties kleinschalige, in stilte en vertrouwen werkende semi-publieke organisaties zijn, is ruw wakker geschud. Hier zou sprake zijn van liquiditeitstekorten in de orde van grootte van meerdere miljarden euro. Het meest recente jaarverslag van Vestia leest als een spoedcursus complexe financiële producten.

Vestia bezit 89.000 huurhuizen, merendeels in Zuid-Holland. Anderhalf jaar geleden stonden de toezichthouders op de bedrijfstak toe dat Vestia samenging met de door fraude compleet ontspoorde en technisch failliete corporatie SGBB. Toen was Vestia de marktleider die vanzelfsprekend hielp om rotte appels uit de mand te verwijderen. En nu?

Hoe het zo dramatisch mis heeft kunnen gaan bij de corporatie, zal de komende weken en maanden onderwerp van onafhankelijk onderzoek moeten zijn. Elementen die bij dat onderzoek moeten worden betrokken zijn de rol van de raad van commissarissen, die afgaand op hun cv’s, een echte financieel expert misten, de eenhoofdige leiding (banken moeten minimaal door twee personen worden geleid), de intensiteit en kwaliteit van het financiële toezicht én de controle door het departement van Binnenlandse Zaken, voorheen van Volkshuisvesting. Dat Vestia een nieuw bestuur krijgt, nu topman Staal vandaag is opgestapt, is dus lang niet genoeg.

Deze afgang gaat verder dan Vestia alleen. Woningcorporaties zijn van die kenmerkend Nederlandse instituten die zijn opgericht dankzij particulier en publiek initiatief. Met als ambitie: huisvesting voor mensen met een krappe beurs. Corporaties hadden nauwe banden met de lokale overheden én financiële banden met de rijksoverheid totdat ze in 1995 op eigen benen werden gezet. Sindsdien hebben de corporaties de commerciële markt ontdekt, stapten zij in projectontwikkeling, werden slapend rijk dankzij de waardestijging van hun huurhuizen en wekten groeiende weerzin bij burgers en politici vanwege buitensporig hoge beloningen en de regelmaat van fraudegevallen en zakelijke debacles.

De vergelijking met reguliere financiële instellingen dringt zich op. Banken in problemen confronteren de samenleving met de vraag: is deze geldbeheerder te groot om bankroet te laten gaan? Nu woningcorporaties kennelijk in meer dan gemiddelde mate ook financiële instellingen blijken te zijn geworden, zij het zonder bankvergunning, is het tijd om de vraag te stellen: zijn corporaties niet te groot geworden om nog adequaat bestuurd te kunnen worden? Op het kabinetsstandpunt dat corporaties massaal huizen moeten verkopen, is het nodige af te dingen, maar de sector heeft het er wel naar gemaakt.