Veel luyden vrosen hier en daer op de weghen doot van coude

De gevoelstemperatuur daalt in Nederland vannacht en morgen tot onder de min 10 graden. Koud? In Rusland, daar is het pas koud. Of neem de Kleine IJstijd in Nederland tussen 1450 en 1850. En in België dolen de asielzoekers overdag buiten in de kou.

IJsvermaak uit 1610 van Hendrick Avercamp. Beeld uit ‘Winters van weleer’

Zo bar als in de winter van 1607-1608 had Dirk Velius, arts te Hoorn, het nog nooit meegemaakt. Je kon met een paardenslee de Zuiderzee op, tot aan Friesland. En zelfs Texel was over het bevroren water te bereiken. Maar beter was het om binnen te blijven.

„Veel luyden vrosen hier en daer op de weghen doot van coude.”

Velius was ooggetuige van de koudste periode van wat wel de Kleine IJstijd wordt genoemd. Tussen ongeveer 1450 en 1850 was het in Europa significant kouder dan in de eeuwen ervoor en erna. De jaren die samenvielen met de Nederlandse Opstand (1568-1648) en de Gouden Eeuw waren de koudste sinds het einde van laatste Grote IJstijd, ongeveer 10.000 jaar geleden.

Waar heel Nederland nu in alle staten is als het een week vriest, waren krakend koude winters toen heel gewoon. Twee van de drie winters in de Gouden Eeuw kenden aanzienlijke vorstperiodes. De Zuiderzee was in de zeventiende eeuw maar liefst 22 keer dichtgevroren. Het kwam geregeld voor dat de gemiddelde januaritemperatuur bleef steken rond de min 5 graden Celsius.

Soms was die winterkou leuk. Toen in 1565 de Schelde bij Antwerpen dichtvroor, noteerde de Nieuwe Chronijcke van Brabandt:

„So heeft men daer Craeme en Tenten op ghestelt en spijse en dranc”.

Koek en zopie dus, voor bij het schaatsen, (prik)sleeën en kolven.

Maar de koude winters hadden ook nadelige gevolgen. Zoals Velius opmerkte werden mensen ziek, of vroren ze dood. En ook de land- en tuinbouw had te lijden onder de omstandigheden. De dokter uit Hoorn noteerde:

„De weyden waren op veel plaatsen soo versenght, dat sy de hele somer niet weder groen conden worden. Veel Ooftbomen als Peereboomen, Appelboomen en andere vrosen uyt, eenighe die 50. oft 60. Jaer ghestaen hadden”.

Daarnaast konden eerst de Spanjaarden en later de Fransen gebruik maken van de bevroren rivieren om hun leger over te zetten naar de noordelijke oevers. Om dat te voorkomen, moesten de soldaten van de jonge Republiek een brede geul in het ijs hakken.

In zijn standaardwerk Duizend jaar weer, wind en winter in de Lage Landen heeft historisch geograaf J. Buisman nauwkeurig de gevolgen van de extreme koude ten tijde van deze Kleine IJstijd in kaart gebracht. Het koudste jaar van dit uitzonderlijke klimatologische tijdvak was waarschijnlijk 1684.

Het begon eind november 1683 al met vriezen. Na een korte milde periode viel op 26 december de vorst opnieuw in. Hierna vroor het zes weken achter elkaar elke nacht een gang ijs. (Een gang is een maat voor vorst: zo streng dat men na één nacht over het ijs kan.)

Alle belangrijke wateren vroren dicht. De schout van Vlieland reisde per paardenslee naar Amsterdam. Er bestaan lepels met de inscriptie: Dees lepel is met paard en sleê gebragt van Vlieland over Zee. Ook elders in Europa was het bijzonder koud. Er werd markt gehouden op de Schelde bij Antwerpen en de Theems bij Londen. De lagune van Venetië was met ijs bedekt.

Zoveel koude kon natuurlijk niet zonder onaangename gevolgen blijven. Margaretha Turnor, kasteelvrouwe van Amerongen slaagde er met moeite in een brief te schrijven, want:

„’tis zo scherp kout dat door de vorst de pen geen int meer wil geefve”. (...) „dit felle weer veroorsaeckt mij sulcke pijn en lamicheijt dat ick naulyxs op noch neer kan, als ick op een stoel sit moetenser mij van op helpen of kander niet af koome”.

De ongemakken van een dame van adel vielen natuurlijk in het niet bij het leed van de gewone bevolking tijdens deze superwinter. Mensen en vee vroren dood en op een aantal plaatsen braken de dijken onder druk van de ijsmassa. Maart en april bleven koud. Pas in mei diende de lente zich aan.

De huidige vorstperiode steekt, kortom, nogal schraal af bij al dit klimatologisch geweld. Toch zijn er ook overeenkomsten te ontdekken tussen toen en nu. De komende dagen zullen er ongetwijfeld mensen zijn die te vroeg het ijs op gaan en dan een nat pak halen.

Datzelfde overkwam in 1618 dichter Gerbrand Adriaensz. Bredero. In een brief aan een vriendin schreef Bredero:

„Voorders laet ick u weten (doch ongaerne) dat ick zieck ende niet wel te pas en ben, vermits ick ongeluckigh met slede in ’t ys gebroocken ende ick met mijn lendenen in ’t water geseten hebbe waer op ick, als ghy wel dencken meught, dapper verkouwt geworden ben.”

    • Bart Funnekotter