Soeverein en met zelfspot overwon ze de schaamte

Doeschka Meijsing schreef over een generatie sterke vrouwen, die net als zij, het grote verdriet in hun leven achter de rug hebben. Achter haar scherpzinnige humor ging kwetsbaarheid schuil.

Denkend aan de maandag op 64-jarige leeftijd overleden Doeschka Meijsing dringt zich het slotakkoord aan mij op van haar laatste en mooiste roman, Over de liefde. Meijsings alter ego Pip, een door haar geliefde verlaten vrouw, tuimelt een Amsterdamse gracht in en zwemt met krachtige slagen weg uit haar oude leven: soeverein, bevrijd van angst een beloftevolle toekomst tegemoet.

Bij de publicatie van Over de liefde in 2008 sprak ik Meijsing in haar lichte appartement bij het Amsterdamse Amstelveld, waar zich het liefdesdrama dat ze in haar roman beschreef had afgespeeld. Ik dacht een gebroken vrouw te zullen aantreffen, maar werd ontvangen door een stralende verschijning in een overwinnaarseuforie. Wat ze overwonnen had met Over de liefde was een vorm van schaamte die een mens nu eenmaal bevangt na te zijn afgewezen door een geliefde. „Schaamte voor de eigen gevoelens, voor het eigen bestaan, existentiële schaamte”, zoals ze het noemde.

Die existentiële schaamte, het vormgeven van een doorlopend onderzoek naar de oorzaken daarvan en de vlucht in de fantasie vormen een constante in het werk van Doeschka Meijsing. Na publicaties in literaire bladen als Podium en De Revisor debuteerde de in Haarlem opgegroeide femme de lettres in 1974 met de bundel De hanen en andere verhalen, om daarna gestaag voort te bouwen aan een even rijk als gevarieerd oeuvre. Beeldend geschreven romans wisselde ze af met verhalen, poëzie en essays, met vooral in het begin aanwijsbare invloeden van Nabokov, Borges en Vestdijk. Samen met auteurs als Dirk Ayelt Kooiman, Nicolaas Matsier en Frans Kellendonk werd ze tot de ‘academische’ schrijvers gerekend, representanten van het ‘Revisorproza’, dat als moeilijk toegankelijk te boek stond.

Niet alleen als schrijver, ook als persoon maakte Doeschka Meijsing op het eerste gezicht een nogal ongenaakbare indruk, wat naar eigen zeggen samenhing met haar schaamte en het gevoel een eeuwige buitenstaander te zijn. Haar alcoholverslaving, waarmee ze haar gezondheid ondermijnde en die haar al jaren geleden op de rand van de dood bracht, kan daaraan mede ten grondslag hebben gelegen. Achter haar scherpzinnige humor en superieure zelfspot ging een grote kwetsbaarheid schuil. In de loop der jaren liet ze daarvan meer zien in haar werk. Zonder ooit in plat realisme te vervallen – ze schiep in romans als Robinson (1976) , Tijger, tijger! (1980) en het voor de AKO-prijs genomineerde De tweede man (2000) een eigen universum – werd haar fictie in toenemende mate autobiografisch.

Een belangrijke inspiratiebron bleef haar jeugd. In haar roman 100% chemie (2002) reconstrueerde ze de verhouding tot haar Duitse moeder, die in de jaren ’30 naar Nederland kwam en het gezin in de naoorlogse, fel anti-Duitse jaren ’50 de status van buitenbeentje verschafte. Samen met haar jongere broer, de schrijver Geerten Meijsing, publiceerde ze in 2005 bij wijze van experiment de misdaadroman Moord en doodslag, waarvan de titel ook een verwijzing was naar hun gecompliceerde onderlinge verhouding en rivaliteit.

In Over de liefde, in 2008 tot haar intense vreugde bekroond met de AKO-literatuurprijs, beschreef ze hoe de zestigjarige lesbische archeologe Pip wordt verlaten door haar veertien jaar jongere geliefde Jula. Het was toen al een publiek geheim dat deze roman een gefictionaliseerde versie was van haar scheiding van de voormalige hoofdredacteur van Vrij Nederland, Xandra Schutte. In het interview dat ik met haar maakte trad Meijsing daarmee voor het eerst naar buiten, met veel liefde en compassie voor Schutte en haar zoontje Samuel, door Meijsing gekoesterd als ‘het beste product van de schepping tot nu toe’.

Schutte had een relatie met journalist Hendrik Jan Schoo, die stierf terwijl Meijsing aan Over de liefde werkte. Dit gegeven heeft ze bewust niet in de roman verwerkt. „Zijn dood is een veel groter thema dan ik kon gebruiken. Als je over de dood schrijft, heb je het over een veel definitiever verlies en dan zou het een heel ander boek zijn geworden. Mij ging het erom dat ik langs mijn eigen leven scheerde, een leven dat tot mijn verdriet voor een groot deel openbaar was.”

Maar zo openbaar als haar leven misschien ook geworden was, zo intiem beschreef ze universele hartstochten, waarbij de levensdrift het uiteindelijk wint van jaloezie, wraakzucht en schaamte. Haar alter ego Pip stond volgens Meijsing model voor veel vrouwen van rond de zestig. En niet zonder triomfalisme voegde ze daaraan toe: „Als Pip weg zwemt heeft ze een raadsel opgelost en voelt ze zich autonoom en vrij. Ze kijkt naar Jula en haar blonde jonge en succesvolle vriendinnen op de kade, en ze denkt: wacht maar, over vijf jaar zijn jullie allemaal teleurgesteld en uit je banen gezet. Pip behoort tot een generatie sterke vrouwen, die zulk verdriet achter de rug heeft. Over mijn boek kun je zeggen: Kijk daar gaat Pip, ze is aantrekkelijk, ze is vitaal. Wat een leuke vrouw.”

Dat is Doeschka Meijsing zoals ik me haar zal blijven herinneren.

    • Elsbeth Etty