Kip!

Kip, het meest met antibioticaresistente, potentieel gevaarlijke ESBL-bacteriën besmeurde stukje vlees, kip! (Het blijft leuk. Dat komt denk ik door die laatste blije uithaal, die zelf wel iets weg heeft van een uitgelaten, leeghoofdige ‘tok!’) Gisteren publiceerde de Consumentenbond een onderzoek waaruit bleek dat 99 procent van de door hen onderzochte supermarktkip ESBL bacterieën bevat.

Kip, het meest met antibioticaresistente, potentieel gevaarlijke ESBL-bacteriën besmeurde stukje vlees, kip! (Het blijft leuk. Dat komt denk ik door die laatste blije uithaal, die zelf wel iets weg heeft van een uitgelaten, leeghoofdige ‘tok!’) Gisteren publiceerde de Consumentenbond een onderzoek waaruit bleek dat 99 procent van de door hen onderzochte supermarktkip ESBL bacterieën bevat. Bacteriën die niet gevaarlijk zijn voor gezonde mensen, maar wel een risico kunnen vormen voor zwakkere groepen. Sluit ramen en deuren en verhit uw kip – alleen zo kan de bacterie worden bestreden.

Het was de eersteniet-bio-industriekip die ik in mijn leven had gezien

De uitbundige aanwezigheid van deze bacterie lijkt verband te houden met de manier waarop kippen worden gehouden. Met twintig soortgenoten bevolken ze minder dan een vierkante meter, het vleeskuiken zelf is een soort wild groeiend stuk vlees op broze pootjes geworden, er wordt veel antibiotica gebruikt. En uiteindelijk krijgen wij de filets in het koelvak: groot, perfect roze, zompig, smakeloos.

Ik heb ooit een tijdje in Tanzania gewoond. Het verblijf daar was vaak minder comfortabel dan hier (laten we zeggen dat ik terugkwam met een geheel vernieuwde waardering voor elektriciteitsdraden, bewegwijzering en afvoerputjes), maar op andere vlakken was het weer chiquer: er was iemand die elke dag voor me kookte. De vrouw die dat deed heette Paulina, en ze had zich voorgenomen voor me te zorgen als een moeder – ook al was ze ruim twee jaar jonger.

Terwijl ik in een onhandige combinatie van Swahili en gebarentaal vertelde wat ik wilde eten, bereidde ze spinazie, bonen, okra of aardappelen-in-tomatensaus voor me. Over één ding werden we het echter nooit eens: vlees. Steeds als ik Paulina probeerde uit te leggen dat ik geen vlees at, keek ze me medelijdend aan. ‘Dat arme meisje’, zag je haar denken. ‘Wat een wartaal. Vanavond maak ik eens een lekker stuk koeienlever voor haar, dat zal ’r goed doen.’

En een dag kwam ze het terrein oplopen met een tegenspartelende bos veren in haar hand. „Kuku”, riep ze opgetogen uit, waarna ze de kip behendig de nek omdraaide. Die avond werd me de gebraden kuku voorgeschoteld. Het was de eerste niet-bio-industriekip die ik in mijn leven had gezien. Een normale kip. En het leek wel een exotisch loopvogeltje, zo mager en klein was het. Goed, misschien had het leven in Afrika ook voor deze kip enige consequenties gehad voor zijn vetreserve, maar toch dacht ik: zo zagen kippen er dus ooit uit. Een enorm verschil met zijn opgeblazen soortgenoten – en misschien nog wel het meest in de smaak: het was de lekkerste kip die ik ooit had gegeten.

De beste bescherming tegen de ESBL-kip is: geen kip meer eten. Niet eens omdat u bang bent om te sterven en dan voor altijd te boek te staan als iemand uit een ‘zwakkere groep’, maar om duidelijk te maken dat dit geen houdbare situatie is. Een kip zou een goed leven moeten hebben, waar wij uiteindelijk ook van profiteren: geen massale kippenpoep-epidemie en áls we dan een keer kip eten, smaakt-ie ook nog eens beter.

    • Renske de Greef