Hoe een schoonheidsideaal volledig ontspoorde

Grote honden moeten nog groter worden, kleine honden nog kleiner. Dat gaat wringen, van binnen.

Ooit waren honden gebruiksdieren. Ze werden geselecteerd op gezondheid en sociaal gedrag. Om werk te doen waar ze goed in waren: waken, beschermen, trekken, jagen, hoeden van vee.

Het was de Britse adel die in de tweede helft van de negentiende eeuw honden begon te houden voor het plezier. Ze moesten mooi zijn. Een sieraad voor hun baasje. Gezondheid en dierenwelzijn werden ondergeschikt.

Zo ontstonden honderd jaar geleden de eerste rasverenigingen. Ze wilden een bepaald ras niet alleen behouden, ook verbeteren. Verbeteren betekende uiteindelijk verminken: opvallendste uiterlijke kenmerken steeds verder uitvergroten. Grote honden moesten groter. Kleine moesten kleiner. Kortsnuitigen kortsnuiteriger.

Voor het fokken gebruikten ze liefst de exemplaren die het meest aan het schoonheidsideaal voldeden. Erfelijke handicaps stapelden zich op. Het inteeltniveau bij veel hondenrassen loopt volgens populatiegeneticus Ed Gubbels inmiddels tegen de 30 procent. Hij is ook secretaris van het Platform Verantwoord Huisdierenbezit. Elke 10 procent inteelt betekent gemiddeld een jaar korter leven.

Het karkas van grote rassen dijde uit, zoals bij de New Foundlander, de Ierse Wolfshond, de Sint-Bernhard. De rest van het lijf bleef achter. Alle grote hondenrassen kampen met gewrichtsproblemen, aan heupen, ellebogen, knie. Rennen, zelfs lopen, doet pijn.

Organen kregen te veel ruimte in het uitvergrote lijf. De kans op maagtorsie is bij alle grote rassen sterk verhoogd. Dat is een acute, levensbedreigende aandoening. De maag klapt om. Maaggassen hopen zich op. De bloedvoorziening knelt af. Zonder ingreep sterft het dier binnen twee uur een vreselijke dood.

Engelse buldoggen vermeerderen zich nog vrijwel uitsluitend via kunstmatige inseminatie. Natuurlijke bevruchting – een reu dekt een teefje – is niet meer mogelijk. De meeste puppies komen met een keizersnee ter wereld. Te groot voor het geboortekanaal.

Kleine hondenrassen gaan gebukt onder de ongewenste bijeffecten van steeds verder krimpen. Bij de ‘Pim Fortuynhondjes’, de Cavalier King Charles spaniel, is de schedel zo klein gefokt dat de hersenen er niet meer inpassen. Een op de acht krijgt een neurologische aandoening waarbij de druk in de hersenen oploopt.

Anders dan veel mensen denken is een stamboom alleen maar een bewijs van afstamming. Geen keurmerk van kwaliteit en gezondheid. Eerder een garantie voor genetische aandoeningen. Bij de zogeheten lookalikes, de goedkopere rashonden zonder stamboom, zijn gezondheidsklachten net zo wijdverbreid.

Overheid en dierenartsen weten al tientallen jaren dat fokken op uiterlijke kenmerken tot ernstige erfelijke handicaps leidt. Alarmerende rapporten genoeg. Fokkers en rasverenigingen bagatelliseren ziektes en dierenleed al net zo lang. Pas de laatste jaren kondigden sommige verenigingen en fokkers maatregelen aan.

Dat gebeurde onder druk van overheid en kleinere dierorganisaties, zoals de Koningin Sophia-Vereeniging en de Stichting Dier en Recht. De Raad van Beheer op Kynologisch Gebied, verantwoordelijk voor de uitgifte van stambomen aan rashonden, kwam twee jaar geleden met een plan van aanpak. Er moest een eind komen aan het fokken van vaders met dochters, broers met zussen, opa’s met kleindochters. Nichten met neven mag nog wel.

Volgens deskundigen en kritische dierorganisaties maakt de aanpak geen einde aan de wanpraktijken in de hondenfokkerij. Ook het ontwerpbesluit Gezelschapsdieren dat staatssecretaris Henk Bleker (Landbouw, CDA) eind vorige maand naar de Kamer stuurde, laat misstanden ongehinderd voortbestaan, zeggen zij.

Fokken mag het welzijn en de gezondheid van de dieren niet benadelen, staat in het ontwerpbesluit. Voorkomen moet worden dat „ernstige erfelijke afwijkingen en ziekten aan nakomelingen worden doorgegeven”. Dat „voortplanting op onnatuurlijke wijze plaatsvindt”. „Voor zover mogelijk.” Die laatste drie woorden, zegt Hans Baaij van stichting Dier en Recht, halen de hele wetgeving onderuit. En de dus makkelijk te omzeilen regels gelden ook alleen voor zogeheten beroepsfokkers. Niet voor kleine rashondenfokkers. Zeker driekwart van de gefokte rashonden, met en zonder stamboom, blijft sowieso onbeschermd.