Een knieval voor de eigentijdse ideeënbus

De congresspreker werd aangekondigd als een vooraanstaand deskundige, een omschrijving die hij zelf als understatement leek op te vatten. Hij droeg zijn verhaal voor, maar ook zichzelf, voor een onderscheiding. Het ging over crowdsourcing. Dat moet iets met een menigte en een bron zijn. Inderdaad: volgens de bedenker van de term, een redacteur van Wired, een van de beste tijdschriften ter wereld, is crowdsourcing het uitbesteden van een productietaak aan het grote publiek. Het Nederlandse voorbeeld dat altijd genoemd wordt, ook de congresspreker stond er lang bij stil, is chipsfabriek Lay’s, die het publiek vroeg een nieuwe smaakvariant te verzinnen, de actie Maak de Smaak. Daar kwam een chip uit die naar Joppiesaus smaakt. Joppiesaus is een frietsaus („maar niet alleen voor friet!”) die het land verovert. Om potato chips te combineren met de nieuwe patatsaus die het land verovert, ik weet niet of ik als chipsfabrikant aan de grote klok zou hangen dat niemand in mijn eigen researchlaboratorium erop was gekomen.

De congresspreker beende gewichtig heen en weer over het podium, terwijl op het scherm achter hem zijn wijsheden geprojecteerd werden. Binnenkort ging hij ook op de Harvard-universiteit uitleggen wat crowdsourcing was. Ja, en zijn Vijf Gouden Regels over crowdsourcing (het kunnen er ook zes of negen geweest zijn) hadden internationaal ingang gevonden. En nog mooier: wij, de zaal, gingen het nu meemaken! Op het scherm verschenen meerkeuzevragen waar per sms op geantwoord moest worden. De techniek was indrukwekkend, ik kan niet anders zeggen, althans, in zoverre: er verschenen cijfers op het scherm. Scores van wat men bij de lunch wilde eten en drinken. Oftewel: de goeroe begreep het verschil niet tussen crowdsourcing en opiniepeilen. Tussen Maak de Smaak en Stem op Smaak. Op naar Harvard!

Ook het Fonds voor Cultuurparticipatie gaat „crowdsourcen”, meldde NRC Handelsblad. ‘Cultuurparticipatie’ – kunnen we eens ophouden het woord ‘cultuur’ te gebruiken als we ‘kunst’ bedoelen? Het kabinet bezuinigt op gesubsidieerde kunstbeoefening, een fractie van de totale sector, en meteen gaat ‘de cultuur’ ten onder. Zo zijn de rollen verdeeld: jíj bedruipt jezelf als kunstenaar en wíj handophouders zijn de cultuur.

Dit terzijde. Dat Fonds voor Kunstparticipatie gaat „het publiek” nu om suggesties en commentaar vragen. Crowdsourcen als trendy synoniem voor ‘ideeënbus’, zeg maar.

In 2008 omarmde uitgeverij Van Dale deze verkeerd begrepen vorm van ‘crowdsourcing’ om het woord van het jaar te bepalen. De diamant die daarmee werd opgedolven was swaffelen – iets met een penis en YouTube. Als er Joppiesaus aan te pas kwam, zou het me niet verbazen.

Het is de reactie die je sinds 2002 regelmatig ziet bij organisaties die ‘elitair’ zouden zijn. (Het zijn namelijk de cultuurwethouders die dit land runnen, niet de Quote 500). Zij volharden niet, zij stappen niet op, maar zij veranderen ook niet. Nee, zij schuiven boos hun stoel achteruit en zeggen: „Nou, dan moet het volk het zelf maar zeggen. Ja toch? Dat willen ze toch?” Een man vraagt aan zijn vrouw of de boterhammen iets dikker kunnen, zij snijdt woedend een enorme homp af en smijt ’m op zijn bord. „IETS DIKKER ZEI JE!?!? ZO GOED!?!?” Je kunt het verdedigen als een concessie, de boterham is nu inderdaad dikker, maar het is vooral de reactie van iemand die niet met kritiek kan omgaan.

Om die smadelijke knieval voor het Volksempfinden nog een beetje cachet te geven, noemen we het geen ‘inspraak’, maar krijgt hij een hippe naam. Wij gaan ‘crowdsourcen’.

Dat is totaal iets anders, maar wat maakt het uit, het is toch allemaal onzin. Gaan die crowdsourcende (lees inspraak permitterende) bestuurders straks ook dóén wat de crowd gezegd heeft? Tja, dat zien we dan wel weer. Het gaat natuurlijk vooral om dat stukje beeldvorming.

Maar zo ja, dan kunnen wij ons verheugen op Joppiesaus de Musical.

    • Jan Kuitenbrouwer