Opinie

    • Frits Abrahams

Charmeoffensief

Als publicist tel je eigenlijk niet meer mee als je Willem Holleeder nog niet gesproken hebt. Misschien moet ik het zelfs nog algemener maken: een beetje Amsterdammer heeft allang in zijn stamkroeg een leuk gesprekje met Holleeder gehad.

„Heb jij ’m nog niet in Het Smalle gezien?” vroeg iemand me. Het Smalle is een kroegje aan het begin van de Egelantiersgracht in de Jordaan. „Daar zat hij gisteren met Auke Kok van Het Parool te drinken.”

„Ik moet net in de opkamer boven het café hebben gezeten”, zei ik schuldbewust, „want ik heb er niets van gemerkt.”

Een onbevredigend antwoord, besef ik. Hoe schril steekt het niet af tegen de primeur van Peter R. de Vries, die nota bene op de dag van de vrijlating een boswandelingetje met Holleeder mocht maken om te keuvelen over diens door allerlei stressy toestanden danig verzwakte hart. Het werkte nog maar voor 20 procent! Alle reden om ons ernstig zorgen te maken!

Ik heb er bijna ontroerd naar zitten luisteren – niet naar dat hart, maar naar Peter R. de Vries. Gelukkig had hij fotootjes genomen; dat aandenken hebben we vast voor het geval onze beroemdste crimineel ons plotseling ontvalt. God is slecht genoeg om dat niet te verhoeden.

Inmiddels heeft Holleeder zich ook in de stationsrestauratie van Overveen (daar kom ik helaas alleen ’s zomers op weg naar zee) door een journalist van Panorama laten interviewen. Het kan niet op. Als we al die interviews gelezen hebben, zullen we meer over dat meelijwekkende hart weten dan een cardioloog kan bevatten.

Over al die afpersingen en liquidaties waar Holleeder al dan niet bij betrokken zou zijn, krijgen we minder te horen. Op vragen daarover reageert hij narrig. Hè, nou niet wéér over die moorden…die dingen kunnen gebeuren in dit milieu…dat hoort erbij…het is vervelend…lastig ook…maar de mensen kunnen er zo over doorzeuren…alsof er nooit eerder op de wereld gemoord is…kom nou zeg…lezen jullie wel ’s de Bijbel?

Tegen Auke Kok heeft Holleeder gezegd dat hij met iedereen een kopje thee wil drinken, behalve met journalisten die hem willen citeren. Dat is een vloekwoord voor hem: citeren. Hij heeft vooral een geweldige hekel aan collega’s-in-crime, die stiekem naar de politie lopen om te citeren uit hun vele gesprekken op achterbanken van auto’s. Zulke collega’s zou hij het liefst een knal voor hun kop verkopen. Hij zal dat niet doen, althans niet zelf, want het is slecht voor zijn hart.

Nu Holleeder zich openstelt voor alle toffe Amsterdammers, moet u niet vreemd opkijken als u, kuierend door de Jordaan, plotseling achter u hoort: „Hé jij, zin in een kopje thee? Kom mee!” U kijkt achterom en begrijpt dat u een aanbod is gedaan dat niet geweigerd kan worden.

Ook stel ik me de verandering van stemming voor als Holleeder plotseling aanschuift wanneer je met een groepje mensen genoeglijk aan de bar staat te ouwehoeren. „Ha jongens, hebben jullie nog een goeie mop voor mij?”

Je zult zien dat er mensen zijn die hem meteen gaan slijmen en doen alsof ze hem al jaren kennen. Angst eet zielen op, zei filmregisseur Fassbinder al.

Ik moet bekennen dat het charmeoffensief van Holleeder mij ook licht teleurstelt. Het heeft iets kleins, iets Hollands. Een groot crimineel hoort groots te sterven, vind ik. Geen geklaag over het hart, geen onderonsjes met Peter R. de Vries – maar, wham!, het finale vuurgevecht in.

    • Frits Abrahams